De #kakkerkorting: belastingbetaler betaalt cadeau voor hogere inkomens
Serie: De Wet Financiering Kinderopvang onder de loep
De overheid noemt het “bijna gratis kinderopvang”. De politiek verkoopt het als eenvoud, zekerheid en rust in de portemonnee. Maar wie beter kijkt naar de Wet Financiering Kinderopvang ziet iets heel anders. Deze wet doet in de praktijk vooral één ding: ouders met hogere inkomens krijgen straks een veel hogere vergoeding voor kinderopvang. Niet een beetje meer, niet een paar tientjes per maand, maar in veel gevallen duizenden euro’s per jaar.
En wie betaalt dat? De Nederlandse belastingbetaler.
Daarom wordt deze regeling inmiddels ook wel de #kakkerkorting genoemd. Een harde term, maar wel een term die de ongemakkelijke kern raakt: publiek geld wordt gebruikt om kinderopvang vooral goedkoper te maken voor ouders die financieel al het sterkst staan.
Bijna gratis kinderopvang klinkt prachtig
Voor ouders klinkt bijna gratis kinderopvang natuurlijk aantrekkelijk. Kinderopvang is duur en de maandelijkse rekening is voor veel gezinnen fors. Ouders zijn bovendien gewend geraakt aan ingewikkelde toeslagen, voorschotten, wijzigingen, jaaropgaven en onzekerheid. Na het toeslagenschandaal is het begrijpelijk dat iedereen verlangt naar een eenvoudiger systeem.
De belofte van de overheid is dan ook slim verpakt. Geen kinderopvangtoeslag meer. Geen ingewikkelde aanvraag. Geen terugvorderingen. Geen onzeker voorschot op je rekening. De overheid betaalt straks rechtstreeks aan kinderopvangorganisaties en gastouderbureaus. Ouders betalen alleen nog een kleine eigen bijdrage.
Dat klinkt als rust in de portemonnee. Maar de vraag is: voor wie?
Voor lage inkomens verandert er weinig
Voor ouders met lage inkomens is de kinderopvang nu vaak al grotendeels vergoed. Zij krijgen via de kinderopvangtoeslag al een zeer hoog percentage van de kosten terug, tot aan de maximum uurprijs. Voor deze groep levert de nieuwe wet financieel weinig extra op. Zij krijgen niet ineens duizenden euro’s cadeau, want zij waren al de groep waarvoor kinderopvang grotendeels werd ondersteund.
Bij de Wet Financiering Kinderopvang gebeurt iets opvallends. Niet de laagste inkomens krijgen de grootste verbetering. Niet de meest kwetsbare gezinnen worden het hardst geholpen. Niet kinderen die kinderopvang pedagogisch het meest nodig hebben staan centraal. De grootste financiële winst gaat naar ouders met hogere inkomens.
De hogere inkomens krijgen de hoofdprijs
In het nieuwe stelsel wordt de vergoeding inkomensonafhankelijk. Dat betekent dat het inkomen van ouders niet meer meetelt voor de hoogte van de vergoeding. Iedere werkende ouder krijgt straks hetzelfde hoge vergoedingspercentage. Voor lage inkomens is dat weinig nieuws, maar voor hogere inkomens is dat een enorme sprong. Zij krijgen nu relatief minder kinderopvangtoeslag, omdat zij meer zelf kunnen betalen. Straks krijgen ook zij vrijwel de maximale vergoeding.
Dat is de kern van het voorstel. De Wet Financiering Kinderopvang wordt gepresenteerd als stelselherziening, maar in de portemonnee betekent het vooral dit: hogere inkomens gaan er fors op vooruit. Daar kun je politiek voor kiezen, maar wees daar dan eerlijk over. Noem het geen grote sociale hervorming. Noem het geen kinderopvangbeleid dat vooral kinderen helpt. Noem het geen oplossing voor de echte problemen in de sector. Noem het wat het is: een miljardenmaatregel waarmee de overheid vooral werkende ouders met hogere inkomens meer geld geeft.
Een VVD-cadeau onder het mom van “werken moet lonen”
Politiek past dit perfect in het VVD-verhaal: werken moet lonen. Ouders die werken, moeten meer overhouden. De overheid moet zorgen voor rust in de portemonnee. Maar bij deze wet krijgt dat verhaal een ongemakkelijke bijsmaak, want wie profiteert het meest? Niet de ouder met het laagste inkomen. Niet het kind dat nu geen toegang heeft tot kinderopvang. Niet de ouder die geen plek kan vinden. Niet de pedagogisch medewerker die onder hoge werkdruk staat.
De grootste financiële winst gaat naar huishoudens met hogere inkomens. Daarom kun je deze wet moeilijk los zien van politieke belangen. Het oogt als een cadeau aan de VVD-achterban en aan groepen die het financieel al relatief goed hebben. Niet omdat elke VVD’er een hoog inkomen heeft en ook niet omdat alleen VVD-kiezers profiteren, maar wel omdat de politieke keuze duidelijk is: de belastingbetaler betaalt mee aan een regeling waarvan het grootste directe voordeel terechtkomt bij mensen die de overheid het minst nodig hebben.
Dat is de omgekeerde wereld.
De belastingbetaler betaalt de rekening
De overheid betaalt niet met gratis geld. Elke euro die naar deze regeling gaat, komt uiteindelijk van burgers en bedrijven. Van werknemers, ondernemers, ouders zonder kinderopvang, gepensioneerden, mensen zonder kinderen en gezinnen die geen plek kunnen krijgen. Iedereen betaalt mee, maar niet iedereen profiteert.
Dat maakt deze wet zo wrang. Een gezin met een hoog inkomen en al een kinderopvangplek kan er straks duizenden euro’s per jaar op vooruitgaan. Ondertussen betaalt de buurvrouw zonder kinderen via de belasting mee. De ouder op de wachtlijst betaalt mee. De alleenstaande ouder die geen passende opvang kan vinden betaalt mee. De medewerker in de kinderopvang die nog steeds met personeelstekorten en hoge werkdruk zit, betaalt ook mee.
En wat krijgt de samenleving daarvoor terug? Niet automatisch meer plekken. Niet automatisch meer personeel. Niet automatisch betere kwaliteit. Niet automatisch betere toegang voor kwetsbare kinderen. Vooral een lagere rekening voor ouders die vaak al toegang hadden tot kinderopvang.
Je zou verwachten dat maatschappelijke organisaties hiertegen zijn
Je zou verwachten dat maatschappelijke organisaties juist kritisch zouden zijn op deze wet. Zeker na de recente uitkomsten van de Staat van Gezinnen, waarin opnieuw zichtbaar wordt dat veel gezinnen financiële druk, stress, onzekerheid en ongelijke kansen ervaren. Als gezinnen vastlopen, als ouders aangeven dat er te weinig aandacht is voor gezinnen en als de kloof tussen gezinnen groeit, dan zou je verwachten dat maatschappelijke organisaties vragen: helpt deze wet de gezinnen die hulp het hardst nodig hebben?
Maar nee hoor.
Verschillende maatschappelijke organisaties steunen juist de richting van dit nieuwe stelsel. Dat is opmerkelijk. Want de Wet Financiering Kinderopvang geeft het grootste directe financiële voordeel niet aan de gezinnen met de laagste inkomens, niet aan kinderen die nu geen toegang hebben tot kinderopvang en niet aan ouders die vastlopen door wachtlijsten of gebrek aan passende opvang. Het grootste voordeel gaat naar ouders met hogere inkomens die vaak al kinderopvang gebruiken.
Daarmee ontstaat een ongemakkelijke tegenstelling. Aan de ene kant zeggen maatschappelijke organisaties dat kinderopvang toegankelijk moet zijn voor alle kinderen en dat gezinnen onder druk staan. Aan de andere kant steunen zij een stelsel dat vooral de portemonnee van hogere inkomens ontziet en geen oplossing biedt voor het tekort aan personeel, locaties en plekken.
Juist maatschappelijke organisaties zouden hier scherper op moeten zijn. Als je werkelijk vindt dat kinderopvang moet bijdragen aan kansengelijkheid, dan kun je niet tevreden zijn met een miljardenregeling die vooral ouders beloont die al toegang hebben tot opvang en financieel sterker staan. Dan moet je vragen waarom kinderen uit kwetsbare gezinnen niet centraal staan. Waarom niet-werkende ouders grotendeels buiten beeld blijven. Waarom er geen garantie is op extra plekken. En waarom de belastingbetaler vooral mag betalen voor een korting aan hogere inkomens.
De steun van maatschappelijke organisaties maakt deze wet daarom niet automatisch socialer. Integendeel: het roept de vraag op waarom juist organisaties die zeggen op te komen voor gezinnen en kansengelijkheid zo weinig bezwaar lijken te hebben tegen een regeling die de ongelijkheid in toegang tot kinderopvang juist kan vergroten.
De wet lost het echte probleem niet op
De kinderopvang heeft grote problemen, maar de Wet Financiering Kinderopvang lost die problemen niet op. Er is al een groot personeelstekort. Veel organisaties hebben moeite om roosters rond te krijgen. Groepen kunnen soms niet open. Wachtlijsten zijn lang. Nieuwe medewerkers zijn niet zomaar beschikbaar. Opleiden kost tijd. De werkdruk is hoog.
Daarnaast is het op veel plekken moeilijk om geschikte locaties te vinden. Gemeenten hebben te maken met ruimtegebrek, vergunningen, huisvesting, bestemmingsplannen en lokale tekorten. Een nieuwe financieringswet verandert dat niet. Een hogere vergoeding creëert geen pedagogisch professionals. Een subsidie bouwt geen nieuwe lokalen. Een lagere ouderbijdrage opent geen extra groepen. Een politieke belofte lost geen wachtlijst op.
Sterker nog: de wet kan de problemen juist vergroten. Als kinderopvang bijna gratis wordt, stijgt de vraag. Ouders die nu minder opvang gebruiken, willen misschien meer dagen. Ouders die nu opa en oma inzetten, stappen mogelijk over naar formele opvang. Ouders die nu twijfelen vanwege de kosten, melden zich alsnog aan. Maar als er geen personeel is en geen locaties zijn, ontstaat geen extra opvang. Dan ontstaat vooral extra schaarste.
Goedkoper, maar onbereikbaarder
Dat is het grote risico voor ouders. Kinderopvang kan op papier goedkoper worden, maar in de praktijk onbereikbaarder. Wat heb je aan bijna gratis kinderopvang als je geen plek kunt krijgen? Wat heb je aan een vergoeding van 96 procent als je kind op een wachtlijst staat? Wat heb je aan “rust in de portemonnee” als je je werk niet kunt uitbreiden omdat er geen opvang beschikbaar is?
De politiek kijkt vooral naar de rekening. Ouders kijken naar de werkelijkheid. En die werkelijkheid is simpel: je hebt niets aan een lage ouderbijdrage zonder plek.
Politiek veegt het eigen straatje schoon
Na het toeslagenschandaal wil de politiek vooral één ding voorkomen: dat ouders opnieuw slachtoffer worden van terugvorderingen en voorschotten. Dat is begrijpelijk. Maar met de Wet Financiering Kinderopvang gebeurt iets anders. De overheid haalt de verantwoordelijkheid grotendeels weg bij ouders en verplaatst die naar kinderopvangorganisaties, uitvoerders en toezicht.
Ouders hoeven straks minder zelf te regelen. Daardoor kan er inderdaad minder snel een toeslagenschandaal ontstaan waarbij ouders rechtstreeks worden geraakt door terugvorderingen. Maar daarmee is het probleem niet opgelost. Het is verplaatst. De politiek veegt vooral het eigen straatje schoon: als ouders geen toeslag meer aanvragen, kan er ook geen toeslagenschandaal meer ontstaan zoals de vorige keer. Dat klinkt handig voor Den Haag.
Ondertussen ontstaan nieuwe risico’s: meer administratie bij kinderopvangorganisaties, meer regels, meer toezicht, meer verantwoordingsplicht, meer druk op een sector die al onder spanning staat en miljarden extra kosten voor de belastingbetaler. De vraag is dus niet alleen of we een nieuw toeslagenschandaal voorkomen. De vraag is ook of we niet gewoon een nieuw probleem bouwen.
De ouder ziet minder papier, maar de sector krijgt meer regels
Voor ouders lijkt het systeem eenvoudiger. Dat is het verkoopargument. Maar eenvoud aan de voorkant betekent niet dat het hele systeem eenvoudiger wordt. De complexiteit verdwijnt niet, die verhuist.
Kinderopvangorganisaties en gastouderbureaus krijgen straks te maken met directe financiering, gegevensuitwisseling, verantwoording, controle en nieuwe regels. Zij moeten een veel grotere rol spelen in een publiek financieringsstelsel. Voor grote organisaties is dat misschien nog te organiseren. Die hebben administratieve afdelingen, juristen, controllers en software. Voor kleine aanbieders, lokale ondernemers, gastouderbureaus en zelfstandige houders kan dit veel zwaarder worden.
Elke extra regel kost tijd. Elke extra controle kost geld. Elke extra verplichting maakt het moeilijker om gewoon goede opvang te organiseren. Dat raakt uiteindelijk ook ouders, want als kleine aanbieders verdwijnen, verdwijnt keuzevrijheid. Als gastouderopvang onder druk komt, verdwijnen flexibele oplossingen. Als organisaties meer administratieve kosten maken, moet dat ergens worden betaald.
Dit is geen kinderopvangvisie
Een echte kinderopvangvisie zou beginnen bij kinderen. Welke kinderen hebben opvang het hardst nodig? Hoe zorgen we dat kinderopvang bijdraagt aan ontwikkeling, taal, sociale veiligheid en kansengelijkheid? Hoe bereiken we gezinnen die nu buiten beeld blijven? Hoe maken we het vak aantrekkelijker voor pedagogisch professionals? Hoe zorgen we voor voldoende plekken en goede kwaliteit?
De Wet Financiering Kinderopvang begint ergens anders: bij de portemonnee van werkende ouders. Dat is een politieke keuze, maar het is geen complete visie op kinderopvang. Kinderopvang is meer dan een arbeidsmarktinstrument. Het is meer dan een middel om ouders meer uren te laten werken. Het is meer dan een koopkrachtmaatregel voor gezinnen die al opvang gebruiken. Kinderopvang gaat over kinderen. En juist die kinderen verdwijnen in dit wetsvoorstel naar de achtergrond.
De #kakkerkorting legt de pijn bloot
De term #kakkerkorting zal niet iedereen prettig vinden. Dat hoeft ook niet. Het is een scherpe term, bedoeld om discussie uit te lokken. Maar de term legt wel iets bloot wat in nette beleidstaal vaak wordt weggestopt.
Als een gezin met een hoog inkomen straks duizenden euro’s per jaar meer vergoeding krijgt, terwijl een gezin met een laag inkomen nauwelijks voordeel heeft, dan is dat geen neutrale hervorming. Dan is dat herverdeling. Als de belastingbetaler miljarden extra betaalt, terwijl er geen garantie is op extra plekken, extra personeel of betere toegang voor kwetsbare kinderen, dan is dat geen oplossing. Dan is dat politiek wensdenken.
Als de overheid zegt dat ouders “rust in de portemonnee” krijgen, maar vooral de portemonnee van hogere inkomens vult, dan mag dat hardop worden benoemd.
Ouders moeten verder kijken dan de korting
Voor ouders die straks financieel profiteren, is het logisch dat de wet aantrekkelijk klinkt. Niemand zegt graag nee tegen duizenden euro’s voordeel per jaar. Maar ouders zijn niet alleen consument. Ouders zijn ook burger. Ouders zijn ook belastingbetaler. En ouders zijn afhankelijk van een sector die overeind moet blijven.
Daarom moeten ouders verder kijken dan hun eigen maandelijkse rekening. De echte vragen zijn of er straks nog wel een plek is voor hun kind, of de huidige opvang blijft bestaan, of er keuze blijft uit verschillende soorten opvang, of gastouders beschikbaar blijven, of wachtlijsten langer worden, of tarieven boven de maximumvergoeding stijgen, of kwaliteit onder druk komt te staan en of kinderen die opvang het hardst nodig hebben ook echt profiteren.
Als het antwoord op die vragen onzeker is, dan is bijna gratis kinderopvang vooral een mooie politieke slogan.
Dure korting, weinig oplossing
De Wet Financiering Kinderopvang wordt verkocht als oplossing voor het toeslagenschandaal en als rust in de portemonnee voor ouders. Maar in werkelijkheid doet deze wet vooral één ding: zij verhoogt de vergoeding voor ouders met hogere inkomens fors.
Daarmee wordt kinderopvang voor een deel van de ouders veel goedkoper. Maar de wet lost het personeelstekort niet op. Zij lost het locatieprobleem niet op. Zij lost wachtlijsten niet op. Zij garandeert geen extra plek voor kinderen. Zij bereikt kwetsbare gezinnen niet vanzelf beter. Zij maakt de sector niet automatisch sterker.
De politiek voorkomt misschien dat ouders opnieuw verantwoordelijk zijn voor ingewikkelde toeslagen en voorschotten. Maar dat betekent niet dat het systeem goed wordt. Het betekent vooral dat Den Haag het risico verplaatst. De belastingbetaler betaalt ondertussen de rekening.
Daarom verdient deze wet veel meer kritiek dan zij nu krijgt. Ook van maatschappelijke organisaties, die juist na de Staat van Gezinnen zouden moeten zien dat gezinnen niet geholpen zijn met een dure korting voor hogere inkomens, maar met echte toegankelijkheid, voldoende plekken, goede kwaliteit en steun voor kinderen die dat het hardst nodig hebben.
Niet omdat kinderopvang niet betaalbaar moet zijn. Natuurlijk moet kinderopvang betaalbaar zijn. Maar publieke miljarden moeten terechtkomen waar ze echt nodig zijn. Niet als cadeau aan hogere inkomens. Niet als VVD-portemonneepolitiek onder de vlag van kinderopvang. Niet als #kakkerkorting.
Eerst plekken. Eerst personeel. Eerst kwaliteit. Eerst toegankelijkheid voor kinderen die opvang het hardst nodig hebben. Pas daarna kun je praten over bijna gratis kinderopvang. Want een korting zonder plek is geen oplossing. Het is een dure politieke truc.
Dit artikel is onderdeel van een serie artikelen op Kinderopvang-Wijzer.nl over de Wet Financiering Kinderopvang. In deze serie onderzoeken we wie profiteert van het nieuwe stelsel, welke risico’s ouders en kinderopvangorganisaties lopen en waarom de invoering van deze wet veel kritischer bekeken moet worden.
Artikelen in deze serie:
- De #kakkerkorting: belastingbetaler betaalt cadeau voor hogere inkomens
- Gebouwd op twee wankele aannames: waarom bestaat de Wet Financiering Kinderopvang eigenlijk?
- Wie vraagt de pedagogisch professionals wat zij van de Wet Financiering Kinderopvang vinden?
- Als een noodmaatregel al averechts werkt, hoe moet bijna gratis kinderopvang dan goed gaan?
De gegegevens in dit artikel zijn voor het laatst bijgewerkt en gecontroleerd op 22 juni 2026