De Wet Financiering Kinderopvang: politiek snel, bestuurlijk slordig
Waar is het goed bestuur gebleven, staatssecretaris Nobel?
Bij de introductie van de Wet Financiering Kinderopvang is er eigenlijk geen enkele schijn van goed bestuur te zien van staatssecretaris Jurgen Nobel. Waar zorgvuldigheid, onderbouwing en transparantie verwacht mogen worden bij een stelselwijziging met grote maatschappelijke impact, zien we juist overhaaste communicatie, beperkte consultatie en onduidelijke juridische keuzes. De wet lijkt sneller gepresenteerd dan voorbereid en dat roept serieuze vragen op over de bestuurlijke zorgvuldigheid van dit kabinet.
De vraag is niet of kinderopvang betaalbaar moet zijn, maar hoe je dat zorgvuldig regelt. Goed bestuur begint bij kennis, analyse en toetsing, niet bij politieke snelheid of framing.
Wat is goed bestuur bij wetgeving?
Goed bestuur betekent dat beleid en wetgeving tot stand komen op een zorgvuldige, evenwichtige, transparante en controleerbare manier. De overheid heeft niet alleen de taak om regels te maken, maar ook om ervoor te zorgen dat die regels uitvoerbaar, begrijpelijk en rechtvaardig zijn.
In Nederland zijn deze beginselen vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verder uitgewerkt in richtlijnen van de Raad van State en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Ze vormen het fundament van wat we behoorlijk bestuur noemen.
Zorgvuldigheid als basis
“Een bestuursorgaan vergaart de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.”
– Artikel 3:2, Algemene wet bestuursrecht
Met andere woorden: er moet vóór een besluit of wetsvoorstel een duidelijk beeld bestaan van de gevolgen – misschien niet tot drie cijfers achter de komma, maar wel tot een realistische orde van grootte.
Evenredigheid en uitvoerbaarheid
Beleid moet in verhouding staan tot het doel. Een maatregel mag niet zwaarder ingrijpen dan nodig. Daarom toetst de Raad van State wetsvoorstellen altijd op doelmatigheid en uitvoerbaarheid: kan de wet in de praktijk goed worden toegepast, en wat betekent dat voor burgers en instellingen?
Wat de Raad van State hierover zegt
In haar Beoordelingskader Afdeling Advisering (2024) beschrijft de Raad van State vier pijlers voor de kwaliteit van wetgeving:
- Beleidsanalyse: is de probleemstelling helder en de maatregel noodzakelijk?
- Constitutionele en juridische analyse: past de maatregel binnen grondwettelijke en Europese normen?
- Uitvoeringsanalyse: is de wet uitvoerbaar en handhaafbaar?
- Analyse van de gevolgen voor de rechtspraktijk: wat betekent dit voor burgers, instellingen en bedrijven?
“Het beoordelingskader dient als hulpmiddel om een dynamisch en integraal denk- en werkproces te ondersteunen.”
– Raad van State, 2024
Het huidige wetsvoorstel lijkt echter nauwelijks aan deze basisprincipes te voldoen.
De Aanwijzingen voor de regelgeving: verplicht kader, geen optie
De Aanwijzingen voor de regelgeving van het Ministerie van Justitie en Veiligheid vormen het officiële kader voor het opstellen van nieuwe wetten. Ze schrijven onder andere voor dat elk wetsvoorstel een probleemanalyse, doelstelling, uitvoeringsanalyse en financiële onderbouwing moet bevatten.
“De Aanwijzingen dragen bij aan de kwaliteit van regelgeving binnen de Rijksoverheid. Ze zorgen ervoor dat wet- en regelgeving qua vorm en inhoud een zekere gelijkvormigheid en voorspelbaarheid hebben.”
– Ministerie van Justitie en Veiligheid, 2023
Wanneer een bewindspersoon deze richtlijnen niet volgt, kan worden gesteld dat de voorbereiding van de wet niet voldoet aan de norm van goed bestuur.
Geef je mening over de stellingen onderaan dit artikel.
Wat nog niet geregeld is
De Memorie van Toelichting laat zien dat tal van onderdelen van de wet nog in ontwikkeling zijn. Onder andere de volgende punten moeten nog worden onderzocht, uitgewerkt of vastgesteld:
1. Juridische en staatssteunkaders (DAEB)
- De toepasbaarheid van het DAEB-vrijstellingsbesluit moet nog worden vastgesteld. Er moet worden bepaald of dit besluit voldoende juridische basis biedt, of dat gebruik moet worden gemaakt van de DAEB-kaderregeling van de Europese Commissie.
- Er is nog geen volledige beschrijving van de compensatiemechanismen en controle op overcompensatie of wat als “excessieve” winst moet worden beschouwd.
- De overheid moet nog definiëren welke activiteiten precies onder de DAEB-dienst “kinderopvang” vallen en hoe diversiteit in aanbieders behouden blijft
.2. Financiën, tarieven en budgettering
- De tariefregulering is nog niet uitgewerkt. Het kabinet wil dit later verder onderzoeken, omdat de maatregel complex is en ingrijpt in de marktwerking
- De exacte kosten en baten van mogelijke aanvullende maatregelen (zoals het beperken van babyopvang of verlengen van betaald verlof) zijn onbekend. Dit vereist aanvullend onderzoek naar financiële en maatschappelijke effecten.
- De inzet van middelen voor transitie en uitvoeringskosten bij Dienst Toeslagen en binnen de sector is nog niet vastgesteld; bedragen zijn gereserveerd als “PM” (nog te bepalen)
3. Uitvoering, ICT en toezicht
- De uitwerking van de ICT-systemen en softwarekoppelingen tussen uitvoerder, houders en gastouderbureaus moet nog worden ontwikkeld. De sector benadrukt dat fouten of dubbele administraties moeten worden voorkomen.
- De precieze rollen en verantwoordelijkheden in toezicht en handhaving moeten verder worden vastgelegd, onder meer bij de controle op aanwezigheid en niet-gebruik.
- Het transitieplan van het oude naar het nieuwe financieringsstelsel is nog niet uitgewerkt. Daarbij moeten onder meer de omgang met lopende contracten en dubbele administraties worden bepaald
4. Evaluatie, monitoring en toetsing
- Een evaluatieplan moet nog worden opgesteld met indicatoren voor effectiviteit, regeldruk en toegankelijkheid
- De regering wil in 2026 een startmeting uitvoeren en daarna jaarlijks evalueren, maar de exacte onderzoeksopzet is nog niet vastgelegd.
- De invoeringstoets, die is ontwikkeld na het rapport Ongekend Onrecht, moet worden ingezet om vroegtijdig knelpunten te signaleren, maar hoe die toets wordt geïntegreerd in dit stelsel is nog onduidelijk
5. Beleidsmatige en maatschappelijke effecten
- Er moet nader onderzocht worden hoe het nieuwe stelsel invloed heeft op:
- toegankelijkheid voor lage inkomensgroepen;
- arbeidsparticipatie van ouders, vooral van moeders en alleenstaande ouders;
- kwaliteit en veiligheid binnen de kinderopvangsector;
- beschikbaarheid van personeel (krapte op de arbeidsmarkt)
6. Overgangs- en implementatiefase
- De overheid werkt nog aan een gefaseerde invoering via een “test and learn”-aanpak. Hierbij worden delen van het stelsel vóór 2029 getest, maar de precieze planning en selectiecriteria voor deelnemers zijn nog onbekend.
- De exacte inwerkingtreding en overgangsregeling (beoogd 1 januari 2029) zijn nog onder voorbehoud, evenals de wettelijke overgangsartikelen
Met andere woorden: het kabinet heeft de fundamentele vragen over uitvoerbaarheid, betaalbaarheid en rechtszekerheid nog niet beantwoord, terwijl de wet al politiek is gepresenteerd als feit.
Politiek snel, bestuurlijk slordig
Het beeld dat blijft hangen is dat staatssecretaris Nobel vooral haast heeft om een politiek punt te scoren. De internetconsultatie lijkt eerder bedoeld om het proces af te vinken dan om wezenlijke input te verzamelen. Zonder harde cijfers of duidelijke uitvoeringstoets is het voor burgers, aanbieders en gemeenten onmogelijk om goed te beoordelen wat deze wet in de praktijk betekent.
De aanpak wekt de indruk van politieke profilering: snel resultaat voor de achterban, later pas repareren. Dat zagen we eerder bij plannen van staatssecretaris Jurgen Nobel (VVD) om de maximumuurtarieven voor kinderopvang niet te verhogen, terwijl de VVD tegelijkertijd de wens lanceerde om de middeninkomens extra compensatie te gevenin hun programma “Agenda voor werkenden. De vraag dringt zich op: maken we opnieuw het begin mee van een bestuurlijk schandaal: Nobelgate, het Nobelschandaal of simpelweg het Financieringsfiasco?
Waarom dit ertoe doet
Goed bestuur is geen ouderwets ideaal, maar een voorwaarde voor vertrouwen. De kinderopvang verdient beleid dat rust op feiten, uitvoerbaarheid en transparantie, niet op politieke reflexen of haast. Wie wetten maakt zonder onderzoek, zonder toetsing en zonder draagvlak, verliest de kern van wat bestuur zou moeten zijn: eerst begrijpen, dan besluiten.
-
Volledig mee eens 78%, 175 stemmen175 stemmen 78%175 stemmen - 78% van alle stemmen
-
Deels mee eens 10%, 22 stemmen22 stemmen 10%22 stemmen - 10% van alle stemmen
-
Volledig mee oneens 6%, 14 stemmen14 stemmen 6%14 stemmen - 6% van alle stemmen
-
Neutraal / Niet mee (on)eens 4%, 10 stemmen10 stemmen 4%10 stemmen - 4% van alle stemmen
-
Deels mee oneens 1%, 3 stemmen3 stemmen 1%3 stemmen - 1% van alle stemmen
-
Volledig mee eens 81%, 275 stemmen275 stemmen 81%275 stemmen - 81% van alle stemmen
-
Deels mee eens 9%, 31 stem31 stem 9%31 stem - 9% van alle stemmen
-
Volledig mee oneens 6%, 19 stemmen19 stemmen 6%19 stemmen - 6% van alle stemmen
-
Deels mee oneens 3%, 9 stemmen9 stemmen 3%9 stemmen - 3% van alle stemmen
-
Neutraal / Niet mee een/oneens 1%, 4 stemmen4 stemmen 1%4 stemmen - 1% van alle stemmen
Bronnen en verwijzingen
- Algemene wet bestuursrecht (Awb), artikelen 3:2 en 3:4
- Aanwijzingen voor de regelgeving, Ministerie van Justitie en Veiligheid (2023)
- Beoordelingskader Afdeling Advisering, Raad van State (2024)
- Memorie van Toelichting Wet Financiering Kinderopvang, Ministerie van SZW (2024)
- Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR), Toetsingskader 2024