Maximum uurtarieven kinderopvangtoeslag 2027 nog steeds niet bekend: een zeer twijfelachtig record
Het is inmiddels half augustus 2026 en de maximum uurtarieven voor de kinderopvangtoeslag 2027 zijn nog altijd niet bekend. Dat is uitzonderlijk laat. Bureau Buitenhek spreekt zelfs van een recordvertraging. Uit hun overzicht blijkt dat het ontwerpbesluit met de maximum uurprijzen in eerdere jaren doorgaans tussen eind mei en half juni aan de Tweede Kamer werd aangeboden. Voor 2026 gebeurde dat bijvoorbeeld op 13 juni 2025.
Ook medio augustus staat de wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag 2027 volgens de officiële Wetgevingskalender nog in de fase ‘Voorbereiding’. Daarna volgen nog de Raad van State en de bekendmaking. Op diezelfde Wetgevingskalender staat de Minister van Werk en Participatie als eerste ondertekenaar vermeld.
Dat maakt deze vertraging tot een bijzonder record, maar bepaald niet een record waar de kinderopvangsector blij van zal worden. Zeker niet in een periode waarin de branche al te maken heeft met forse veranderingen, onzekerheid over toekomstige financiering, personeelstekorten en stijgende kosten.
Een recordvertraging op een bijzonder ongelukkig moment
De kinderopvang staat aan de vooravond van een ingrijpende verandering. Het kabinet wil vanaf 2029 overstappen op een nieuw financieringsstelsel, waarbij de vergoeding inkomensonafhankelijk wordt en rechtstreeks aan kinderopvangorganisaties wordt betaald. Volgens de huidige kabinetsplannen gaat het om een vergoeding van 96% van de maximum uurprijs.
Tegelijkertijd loopt in 2027 het ingroeipad naar hogere vergoedingspercentages door. De overheid wil dus de komende jaren miljarden extra investeren om kinderopvang betaalbaarder en voorspelbaarder te maken. Juist dan wringt het dat de sector medio augustus nog niet eens weet met welke maximum uurprijzen vanaf 1 januari 2027 moet worden gerekend.
De kinderopvang heeft op dit moment al genoeg onzekerheden. Organisaties hebben te maken met personeelstekorten, cao-loonkosten, hogere huisvestings- en exploitatiekosten, wijzigingen in de toeslagpercentages en de voorbereiding op een compleet nieuw financieringsstelsel. In zo’n periode zou voorspelbaarheid vanuit de overheid eerder groter dan kleiner moeten worden.
Minister Thierry Aartsen politiek verantwoordelijk
De politieke verantwoordelijkheid voor het besluit ligt bij Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Op de Wetgevingskalender staat de Minister van Werk en Participatie als eerste ondertekenaar genoemd, samen met de staatssecretaris van Financiën als medeondertekenaar.
De verantwoordelijkheid ligt daarmee bij minister Thierry Aartsen (VVD). Dat betekent uiteraard niet dat één minister persoonlijk iedere berekening uitvoert, maar politiek gezien is het wel zijn dossier. Van het ministerie mag daarom worden verwacht dat duidelijk wordt wanneer de tarieven komen en waarom de gebruikelijke planning dit jaar zo fors wordt overschreden.
Kinderopvangorganisaties bepalen hun eigen tarieven
Daarbij moet één misverstand worden voorkomen. Kinderopvangorganisaties bepalen hun eigen uurtarieven. Die tarieven zijn dus niet rechtstreeks afhankelijk van de maximum uurprijzen van de kinderopvangtoeslag.
Een organisatie kan haar tarief vaststellen op basis van onder meer loonkosten, cao-verhogingen, huisvesting, energie, voeding, opleiding, investeringen en andere bedrijfskosten. De overheid bepaalt niet welk bedrag een organisatie per uur mag of moet vragen.
Toch speelt het maximum uurtarief in de praktijk wel degelijk een rol. Sommige organisaties proberen hun tarief zo veel mogelijk in de buurt van het toeslagmaximum te houden. Andere organisaties gebruiken de ontwikkeling van de maximum uurprijs als één van de referentiepunten bij hun tariefbeleid. Dat is begrijpelijk, want over het deel van het eigen uurtarief dat boven de maximum uurprijs uitkomt ontvangen ouders geen kinderopvangtoeslag.
Een organisatie kan haar begroting en tarieven dus prima vaststellen zonder op het ministerie te wachten. Maar zolang het maximum uurtarief voor 2027 onbekend blijft, is niet precies duidelijk welk deel van dat tarief straks voor toeslag in aanmerking komt en welk deel ouders volledig zelf moeten betalen.
De maximum uurprijs is vooral belangrijk voor de netto kosten van ouders
De maximum uurprijs bepaalt over welk bedrag de kinderopvangtoeslag wordt berekend. Stel dat een kinderopvangorganisatie in 2027 €12,50 per uur rekent en de maximum uurprijs uitkomt op €11,60. Dan kan de toeslag maximaal over die €11,60 worden berekend. De resterende €0,90 betalen ouders volledig zelf.
Voor organisaties is het maximum toeslagtarief daarom vooral van belang om te kunnen bepalen hoe hun eigen tarief zich verhoudt tot de vergoeding van ouders. Voor ouders is het nog directer: pas als zowel het eigen tarief als de officiële toeslagparameters bekend zijn, kunnen zij goed berekenen wat kinderopvang hen netto gaat kosten.
Ook gemeenten hebben belang bij duidelijkheid
De vertraging raakt bovendien niet alleen ouders en aanbieders. Gemeenten gebruiken de maximum uurprijs regelmatig als referentie bij subsidieregelingen voor bijvoorbeeld peuteropvang en voorschoolse educatie. De precieze wijze waarop verschilt per gemeente, maar het landelijke toeslagtarief speelt vaak een rol in de lokale bekostiging.
Ook gemeenten zijn in deze periode bezig met begrotingen, subsidieregelingen en beleidskeuzes voor 2027. Een laat vastgesteld maximum uurtarief kan dus ook daar leiden tot extra onzekerheid en aanvullende berekeningen.
De economische cijfers zijn al maanden beschikbaar
De vertraging is extra opvallend omdat de belangrijkste CPB-cijfers al sinds maart beschikbaar zijn. Het Centraal Economisch Plan 2026 werd op 12 maart gepubliceerd. Daarin staan de ramingen voor onder meer inflatie en loonontwikkeling waarop de jaarlijkse indexering wordt gebaseerd.
De officiële indexatiesystematiek is op zichzelf helder. De maximum uurprijzen worden jaarlijks aangepast op basis van een gewogen gemiddelde van 80% loonontwikkeling en 20% consumentenprijsinflatie. Hiervoor worden de CPB-ramingen uit het Centraal Economisch Plan gebruikt.
Dat betekent dat het probleem niet is dat er helemaal geen economische informatie beschikbaar is. De vraag is vooral welke waarden en correcties het kabinet uiteindelijk toepast en waarom daar medio augustus nog geen definitief besluit over ligt.
Maar ook de gebruikte indexatie zelf verdient discussie
Daar komt nog iets bij: ook de gekozen inflatie- en correctiecijfers zijn discutabel.
De indexatiesystematiek gaat ervan uit dat de kostenontwikkeling in de kinderopvang redelijk kan worden benaderd met 80% loonontwikkeling in de economie en 20% algemene consumentenprijsinflatie. Dat is een generieke formule. De werkelijke kostenstructuur van kinderopvangorganisaties kan daar behoorlijk van afwijken.
Kinderopvang is een zeer arbeidsintensieve sector. Personeelskosten vormen een groot deel van de totale exploitatie en de loonontwikkeling binnen de Cao Kinderopvang hoeft niet gelijk te lopen met de gemiddelde loonontwikkeling van bedrijven in de Nederlandse economie. Tegelijkertijd kunnen kosten als huur, energie, voeding, ICT, verzekeringen en onderhoud zich anders ontwikkelen dan de algemene consumentenprijsindex.
De overheid stelt dat de indexatie ervoor moet zorgen dat de kinderopvangtoeslag gemiddeld in de pas blijft lopen met loon- en prijsontwikkelingen. Dat is vanuit een macro-economische systematiek begrijpelijk, maar het betekent niet automatisch dat de uitkomst aansluit bij de daadwerkelijke kostenstijging van een kinderopvangorganisatie.
De inflatieraming voor 2027 is bovendien slechts een raming
Het CPB raamt in het Centraal Economisch Plan 2026 de nationale consumentenprijsinflatie voor 2027 op ongeveer 2,1%. Voor 2026 ligt de raming rond 2,3%.
Maar dat blijven ramingen. De economische werkelijkheid kan zich in de maanden daarna anders ontwikkelen. Internationale spanningen, energieprijzen, loonafspraken, renteontwikkelingen en andere factoren kunnen de inflatie beïnvloeden.
Daar zit een kwetsbaarheid in de systematiek. Een tarief dat voor heel 2027 wordt vastgesteld, wordt mede gebaseerd op een macro-economische voorspelling die al in maart 2026 wordt gemaakt. Tegen de tijd dat 2027 daadwerkelijk begint, kan het economische beeld alweer anders zijn.
Ook de correctie voor 2026 is niet vanzelfsprekend
Bij de berekening van de tarieven voor 2027 wordt niet alleen gekeken naar de geraamde ontwikkeling in 2027. Ook afwijkingen tussen eerdere ramingen en nieuwere inzichten kunnen worden gecorrigeerd.
Op papier klinkt dat logisch. Als de loon- of prijsontwikkeling anders uitpakt dan eerder verwacht, wordt dat verschil later hersteld. Maar in de praktijk ontstaat daarmee een systeem waarbij kinderopvangorganisaties en ouders met vertraging worden gecompenseerd voor een afwijking die al eerder is ontstaan.
Daarbij kan de zogenoemde correctie zelf opnieuw zijn gebaseerd op een nieuwe raming en dus niet volledig op gerealiseerde cijfers. Het woord ‘correctie’ suggereert daardoor mogelijk meer zekerheid dan er feitelijk is. In werkelijkheid wordt een eerdere prognose deels vervangen door een nieuwere prognose.
Dat maakt ook de correctie voor 2026 discutabel. Zeker als de werkelijke kostenontwikkeling in de kinderopvang ondertussen sneller is gegaan dan de generieke economische indicatoren waarop de toeslagindexering is gebaseerd.
Is gemiddelde inflatie wel de juiste maatstaf voor kinderopvang?
De vraag is daarom gerechtvaardigd of de huidige systematiek nog voldoende aansluit bij een sector waarin personeel veruit de belangrijkste kostenpost is.
Wanneer de cao-lonen in de kinderopvang bijvoorbeeld sneller stijgen dan de gemiddelde loonvoet van bedrijven, kan een landelijke gemiddelde indexatie achterblijven bij de daadwerkelijke loonkostenontwikkeling van aanbieders. Dat verschil verdwijnt niet. Organisaties zullen het via hun eigen tarieven moeten opvangen.
Voor ouders kan dat betekenen dat het verschil tussen het werkelijke uurtarief en de maximum uurprijs groter wordt. Over dat verschil ontvangen zij geen kinderopvangtoeslag.
Het risico is dus dat de maximum uurprijs op papier netjes volgens een economische formule wordt geïndexeerd, terwijl de aansluiting met de werkelijke kinderopvangtarieven ondertussen verslechtert.
De berekening voor 2027 blijft voorlopig indicatief
Kinderopvang-Wijzer heeft eerder op basis van de beschikbare CPB-cijfers verschillende scenario’s doorgerekend. Bij toepassing van de gebruikelijke systematiek en correctie over 2026 kwam de verwachte verhoging rond 3,3% uit.
| Scenario | Kinderdagopvang | BSO | Gastouderopvang |
|---|---|---|---|
| Maximum uurprijs 2026 | €11,23 | €9,98 | €8,49 |
| Indicatie 2027 | circa €11,60 | circa €10,31 | circa €8,77 |
| Indicatie bij aanvullende correctie | circa €11,70 | circa €10,40 | circa €8,85 |
Deze bedragen zijn nadrukkelijk geen officiële tarieven. De tarieven voor 2027 zijn nog niet vastgesteld.
De bandbreedte laat tegelijkertijd zien waarom de uiteindelijke keuzes van het kabinet ertoe doen. Een paar dubbeltjes verschil per uur lijkt beperkt, maar vermenigvuldigd met honderden opvanguren per kind kan dat voor ouders op jaarbasis een aanzienlijk bedrag betekenen.
Het conceptbesluit lag begin 2026 al klaar
Procedureel is de vertraging eveneens lastig te begrijpen. Het conceptbesluit voor 2027 lag al vroeg in 2026 ter internetconsultatie. In dat ontwerp stond al vast dat de maximum uurprijzen en toetsingsinkomens opnieuw zouden worden geïndexeerd. De exacte bedragen konden toen nog niet worden ingevuld omdat de daarvoor benodigde CPB-cijfers nog ontbraken.
Die CPB-cijfers zijn sinds maart beschikbaar. Toch vermeldt de Wetgevingskalender medio augustus nog altijd alleen de fase ‘Voorbereiding’.
Dat maakt de vraag naar de oorzaak van de vertraging steeds urgenter. Als de economische cijfers bekend zijn en de indexatiesystematiek vastligt, wat houdt publicatie van de tarieven dan nog tegen?
Een historisch late planning
Het overzicht van Bureau Buitenhek laat duidelijk zien hoe sterk 2027 afwijkt van eerdere jaren.
| Toeslagjaar | Aanbieding ontwerpbesluit |
|---|---|
| 2019 | 8 juni 2018 |
| 2020 | 21 mei 2019 |
| 2021 | 3 juni 2020 |
| 2022 | 21 mei 2021 |
| 2023 | 3 juni 2022 |
| 2024 | 2 juni 2023 |
| 2025 | 7 juni 2024 |
| 2026 | 13 juni 2025 |
| 2027 | medio augustus 2026 nog niet aangeboden |
De sector is dus niet zomaar een paar dagen later geïnformeerd dan gebruikelijk. De vertraging bedraagt inmiddels maanden ten opzichte van verschillende eerdere jaren.
Dat verdient de kwalificatie: een zeer twijfelachtig record.
Vorig jaar was tijdigheid voor de uitvoering al belangrijk
Dat er grenzen zijn aan hoe lang besluitvorming kan worden uitgesteld, blijkt ook uit de uitvoering rond het besluit voor 2026. Daarbij werd aangegeven dat de definitieve parameters tijdig bekend moesten zijn om de voorschotten voor het nieuwe toeslagjaar correct te kunnen verwerken.
Dat betekent niet dat half augustus automatisch een uitvoeringsprobleem oplevert. Maar het laat wel zien dat de beschikbare ruimte kleiner wordt naarmate besluitvorming verder naar achteren schuift. Daarnaast moet het ontwerpbesluit nog door het verdere wetgevingsproces.
Ook de toeslagpercentages voor 2027 spelen mee
De maximum uurprijs is slechts één onderdeel van de totale vergoeding. Voor 2027 wil het kabinet opnieuw een stap zetten in de verhoging van de toeslagpercentages als voorbereiding op het nieuwe financieringsstelsel.
Voor veel midden- en hogere inkomens betekent dit naar verwachting een aanzienlijke verbetering. Dat maakt de combinatie van percentage en maximum uurprijs belangrijk. Een hoger percentage helpt namelijk alleen over het bedrag dat binnen de maximum uurprijs valt.
Een ouder kan bijvoorbeeld 96% toeslag ontvangen, maar over ieder bedrag dat een aanbieder boven het maximum vraagt blijft de vergoeding 0%.
Daarom moet bij discussies over zeer goedkope of vrijwel gratis kinderopvang altijd worden gekeken naar beide kanten van de berekening.
Hogere vergoeding betekent niet automatisch lagere kosten
Voor lagere inkomens, die nu al een zeer hoog toeslagpercentage ontvangen, is de ontwikkeling van de maximum uurprijs misschien zelfs belangrijker dan de verhoging van de percentages.
Wanneer het eigen tarief van een kinderopvangorganisatie sterker stijgt dan de maximum uurprijs, groeit het niet-vergoede deel. Dat verschil betalen ouders volledig zelf.
Stel bijvoorbeeld dat een organisatie haar tarieven met 5% moet verhogen vanwege loon- en andere kosten, terwijl de maximum uurprijs met ongeveer 3,3% stijgt. Dan loopt het eigen tarief verder weg van het toeslagmaximum.
De verhoging van de toeslagpercentages kan voor sommige inkomensgroepen dat effect ruimschoots compenseren. Maar voor ouders die al het maximale percentage ontvangen kan het netto resultaat minder gunstig zijn.
Juist daarom is de discussie over de gebruikte inflatie, de loonraming en de correctie over 2026 geen puur technische discussie. Die methodiek heeft direct gevolgen voor wat ouders uiteindelijk betalen.
Een vreemde tegenstelling richting 2029
Het kabinet wil vanaf 2029 een nieuw financieringsstelsel invoeren waarin ouders meer financiële zekerheid krijgen. Volgens de huidige plannen wordt de vergoeding inkomensonafhankelijk en bedraagt die 96% van de maximum uurprijs.
Het is een ambitieus project dat eenvoud en voorspelbaarheid moet brengen. Juist tegen die achtergrond is het ongemakkelijk dat de relatief reguliere jaarlijkse indexering voor 2027 zo laat tot duidelijkheid leidt.
Een jaarlijkse aanpassing van drie maximum uurprijzen is uiteraard veel eenvoudiger dan een volledige stelselwijziging. Toch raken beide dossiers aan dezelfde voorwaarden voor vertrouwen: tijdige besluitvorming, heldere parameters, uitvoerbaarheid en voorspelbaarheid.
Als de sector al maanden moet wachten op een reguliere jaarlijkse tariefaanpassing, is het begrijpelijk dat organisaties kritisch kijken naar de planning van de veel grotere operatie voor 2029.
Waarom duurt het eigenlijk zo lang?
Op basis van de openbaar beschikbare stukken is momenteel niet duidelijk waarom het besluit voor 2027 zoveel vertraging heeft opgelopen. De officiële Wetgevingskalender vermeldt alleen dat de regeling nog in voorbereiding is. Er staat geen concrete verklaring voor de vertraging of nieuwe publicatiedatum bij.
Daarmee blijven verschillende vragen onbeantwoord. Gaat de discussie over de toe te passen correctie over 2026? Wordt nog gesproken over de hoogte van de vergoedingspercentages? Speelt de financiering van het ingroeipad mee? Of is er eenvoudigweg vertraging ontstaan binnen het wetgevingsproces?
Zolang het ministerie daar niets over zegt, blijft het speculeren.
Niet alleen wanneer, maar ook hoe verdient uitleg
De sector heeft daarom inmiddels een terechte vraag aan minister Aartsen.
Wanneer worden de maximum uurtarieven voor 2027 bekendgemaakt?
Een twijfelachtig record dat om uitleg vraagt
De maximum uurtarieven voor 2027 zijn medio augustus nog steeds niet bekend. Dat is historisch laat en komt op een zeer ongelukkig moment.
Kinderopvangorganisaties kunnen hun eigen tarieven gewoon vaststellen en zijn daarvoor niet afhankelijk van het toeslagmaximum. Maar het maximum uurtarief blijft wel een belangrijk referentiepunt, vooral omdat het bepaalt over welk deel van de kosten ouders toeslag kunnen ontvangen.
Daar komt bij dat ook de onderliggende indexatiesystematiek kritische vragen oproept. De gebruikte inflatie voor 2027 is een raming uit maart 2026. De correctie over 2026 is afhankelijk van herziene verwachtingen. En de generieke mix van 80% loonontwikkeling en 20% CPI hoeft niet één-op-één overeen te komen met de werkelijke kostenstructuur van kinderopvangorganisaties.
In een branche die al te maken heeft met personeelstekorten, hogere kosten, veranderende toeslagpercentages en de voorbereiding op een nieuw financieringsstelsel in 2029, is zo’n recordvertraging allesbehalve welkom.
Minister Thierry Aartsen hoeft niet te bepalen welk tarief kinderopvangorganisaties rekenen. Maar van de verantwoordelijke minister mag wel worden verwacht dat de overheid tijdig duidelijk maakt welk toeslagmaximum gaat gelden, hoe dat bedrag is berekend en waarom de publicatie dit jaar zoveel langer duurt dan gebruikelijk.
Een record is het inmiddels. De vraag is vooral waarom het juist dit record moest zijn.
Lees ook
- Maximum uurtarieven kinderopvangtoeslag 2027: verwachting, berekening en gevolgen
- Stijging vergoedingspercentages kinderopvangtoeslag 2027
Bronnen
- Wetgevingskalender – Wijziging Besluit kinderopvangtoeslag in verband met tarieven en ingroeipad 2027
- Internetconsultatie – Besluit kinderopvangtoeslag 2027
- Centraal Planbureau – Centraal Economisch Plan 2026
- Rijksoverheid – plannen voor betaalbare kinderopvang en nieuw financieringsstelsel
- Rijksoverheid – kosten kinderopvang en maximum uurprijs kinderopvangtoeslag
- Kinderopvang-Wijzer – maximum uurtarieven kinderopvangtoeslag 2027: verwachting, berekening en gevolgen
- Kinderopvang-Wijzer – stijging vergoedingspercentages kinderopvangtoeslag 2027
- Bureau Buitenhek – Recordvertraging publicatie toeslagtarieven 2027, augustus 2026.