Mijn kind wil niet naar de BSO: wat kun je als ouder doen?
“Ik wil niet naar de BSO.” Veel ouders horen het vroeg of laat. Soms is het een eenmalige opmerking na een lange schooldag. Maar wat als je kind iedere BSO-dag begint te mopperen, verdrietig wordt, buikpijn zegt te hebben of steeds nadrukkelijker aangeeft niet meer naar de buitenschoolse opvang te willen?
Dat betekent niet meteen dat er iets mis is met de BSO. Een kind kan moe zijn, liever thuis willen spelen of balen dat een vriendje die dag niet komt. Maar als je kind langere tijd niet naar de BSO wil, is het verstandig om uit te zoeken wat erachter zit. Vooral omdat een simpele uitspraak als “de BSO is stom” allerlei verschillende oorzaken kan hebben.
Waarom wil mijn kind niet naar de BSO?
De eerste vraag is niet hoe je je kind zover krijgt dat het toch gaat, maar waarom je kind eigenlijk niet wil. Dat antwoord is lang niet altijd direct duidelijk. Zeker jongere kinderen kunnen hun gevoel nog moeilijk onder woorden brengen.
Een kind dat zegt dat de BSO “saai” is, kan bijvoorbeeld bedoelen dat zijn beste vriend er nooit is. Een kind dat klaagt over het eten kan eigenlijk moeite hebben met een pedagogisch professional. En een kind dat iedere middag naar huis wil, kan simpelweg uitgeput zijn na een drukke schooldag.
Mogelijke redenen waarom een kind niet naar de BSO wil zijn onder andere:
- je kind is na school moe en heeft behoefte aan rust;
- een vriendje of vriendinnetje zit niet op dezelfde BSO of komt op andere dagen;
- je kind vindt onvoldoende aansluiting bij de andere kinderen;
- er zijn weinig andere kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd;
- de activiteiten passen niet goed bij de interesses of leeftijd van je kind;
- je kind ervaart de groep als druk of lawaaierig;
- er is ruzie met een ander kind;
- je kind wordt buitengesloten of gepest;
- je kind voelt weinig aansluiting bij een pedagogisch professional;
- er zijn veel wisselende medewerkers op de groep;
- je kind vindt zichzelf inmiddels te oud voor de aangeboden activiteiten;
- je kind zou na school het liefst gewoon thuis zijn.
Vooral dat laatste wordt soms onderschat. Een kind hoeft de BSO helemaal niet slecht te vinden om tóch liever naar huis te willen.
Na een hele schooldag kan de rek eruit zijn
Voor volwassenen lijkt een BSO-middag soms vooral vrije tijd. Voor een kind kan de dag echter behoorlijk lang zijn. Eerst naar school, luisteren, samenwerken, opletten en omgaan met tientallen andere kinderen, en daarna opnieuw naar een omgeving met een groep kinderen.
Sommige kinderen schakelen daar moeiteloos tussen. Andere kinderen hebben na school juist behoefte aan stilte, een eigen plek of even helemaal niets hoeven.
Een goede BSO hoort daar rekening mee te kunnen houden. Buitenschoolse opvang draait namelijk niet alleen om georganiseerde activiteiten. Kinderen moeten ook ruimte kunnen krijgen om te ontspannen, zelf iets te kiezen of even niets te doen. De wettelijke pedagogische doelen van de kinderopvang gaan onder meer over emotionele veiligheid, persoonlijke ontwikkeling en sociale ontwikkeling.
Vraag daarom eens wat er direct na school gebeurt. Moet je kind meteen deelnemen aan een activiteit? Kan het rustig tekenen of lezen? Is er een plek om even alleen te zitten? Voor een kind dat na school snel overprikkeld raakt kan dat behoorlijk verschil maken.
Vraag niet alleen: “Waarom wil je niet naar de BSO?”
Dat lijkt de meest logische vraag, maar levert verrassend vaak weinig op. “Weet ik niet”, “gewoon” of “het is stom” zijn voor veel ouders herkenbare antwoorden.
Probeer daarom kleinere en concretere vragen te stellen. Bijvoorbeeld: met wie speel je meestal? Wat vind je het leukste moment op de BSO? En het stomste? Wat doe je als je even alleen wilt zijn? Bij welke medewerker zou je hulp vragen als er iets is? Wat zou jij veranderen als jij één dag de baas van de BSO was?
Zo’n gesprek hoeft ook niet direct na het ophalen plaats te vinden. In de auto, tijdens het eten of tijdens een wandeling komt er soms veel meer uit dan bij een serieus gesprek aan de keukentafel.
Probeer bovendien niet meteen oplossingen aan te dragen. Als een kind zegt dat een ander kind vervelend doet, hoeft de eerste reactie niet te zijn: “Dan moet je gewoon voor jezelf opkomen.” Eerst begrijpen wat er precies gebeurt, is vaak belangrijker.
Een keer geen zin hebben is iets anders dan structureel niet willen
Kinderen hebben net als volwassenen dagen waarop ze ergens weinig zin in hebben. Eén boze bui bij het brengen of een paar keer zeggen dat de BSO stom is, hoeft daarom niet meteen aanleiding te zijn voor een groot gesprek met de opvang.
Let vooral op het patroon. Gebeurt het iedere week op dezelfde dag? Is het begonnen nadat een vriendje is vertrokken? Sinds er andere medewerkers op de groep staan? Alleen tijdens vakantiedagen? Of juist sinds je kind naar een oudere BSO-groep is gegaan?
Ook de intensiteit is belangrijk. Er zit verschil tussen “ik wil liever thuis gamen” en een kind dat al de avond ervoor gespannen raakt omdat het de volgende dag naar de BSO moet.
Praat met de pedagogisch professional en de mentor
Kom je er thuis niet goed achter wat er speelt, bespreek het dan met de BSO. Dat hoeft niet meteen als klacht. De pedagogisch professionals zien je kind in een heel andere omgeving dan jij thuis.
Misschien speelt je kind op de BSO vrolijk en is er vooral weerstand tegen het idee dat het niet direct naar huis kan. Maar een medewerker kan ook vertellen dat je kind de laatste tijd vaker alleen zit, ruzie heeft met een ander kind of nauwelijks meer meedoet aan activiteiten.
Ieder kind op een BSO heeft bovendien een mentor. Deze pedagogisch professional is ook voor het kind zelf een aanspreekpunt en ouders kunnen bij de mentor terecht om het welbevinden en de ontwikkeling van hun kind te bespreken.
Je hoeft dus niet te wachten tot de BSO zelf een gesprek voorstelt. Als je merkt dat je kind structureel niet graag gaat, kun je zelf een gesprek met de mentor aanvragen.
Vraag ook hoe de BSO je kind ziet
Het kan nuttig zijn om niet alleen te vertellen wat je kind thuis zegt, maar eerst open te vragen hoe de medewerkers je kind op de BSO ervaren.
Speelt het veel met andere kinderen? Zoekt het steeds dezelfde kinderen op? Doet het mee aan activiteiten? Trekt het zich terug? Is er iets veranderd? Zijn er conflicten geweest? Hoe is het contact met de medewerkers?
Soms levert dat een heel ander beeld op. Dat hoeft niet te betekenen dat je kind thuis overdrijft of dat de BSO het probleem niet ziet. Kinderen kunnen zich in verschillende situaties anders gedragen. Een kind kan op de BSO gewoon meedoen en thuis toch duidelijk aangeven dat het de middagen zwaar vindt.
Wat als je kind de activiteiten saai vindt?
Dit komt vooral bij oudere BSO-kinderen regelmatig voor. Een activiteit die een zesjarige geweldig vindt, hoeft een tien- of elfjarige niet meer aan te spreken. Oudere kinderen willen vaak meer vrijheid, zelfstandigheid en invloed op wat ze doen.
Ook de grootte en samenstelling van de BSO kunnen hierbij een rol spelen. Een kleinschalige BSO kan voor veel kinderen juist heel prettig zijn: minder drukte, korte lijnen, bekende medewerkers en een overzichtelijke groep. Voor ouders kan zo’n kleinschalige omgeving daarom bewust een reden zijn om voor een bepaalde BSO te kiezen.
Maar kleinschaligheid kan ook een keerzijde hebben, vooral wanneer kinderen ouder worden. Als er op een locatie bijvoorbeeld maar enkele kinderen van negen, tien of elf jaar zijn, heeft een ouder kind mogelijk weinig leeftijdsgenoten om mee op te trekken. De meeste andere kinderen kunnen dan een stuk jonger zijn.
Dat kan ook gevolgen hebben voor het activiteitenaanbod. Een BSO met veel oudere kinderen kan gemakkelijker activiteiten organiseren die specifiek op deze leeftijdsgroep zijn gericht, zoals sporttoernooien, koken, techniek, grotere creatieve projecten, uitstapjes of activiteiten waarbij kinderen meer zelfstandigheid krijgen. Bij een kleine groep oudere kinderen is het niet altijd haalbaar om zo’n apart programma te organiseren.
Een kind dat zegt dat de BSO “saai” is, bedoelt dus misschien niet dat er letterlijk niets wordt georganiseerd. Het kan ook betekenen dat de andere kinderen jonger zijn of dat de activiteiten vooral aansluiten bij de grootste leeftijdsgroep.
Vraag daarom eens hoeveel kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd op de opvangdagen van je kind aanwezig zijn. Zijn er voldoende leeftijdsgenoten? Wordt bij het activiteitenaanbod onderscheid gemaakt tussen jongere en oudere BSO-kinderen? En mogen oudere kinderen zelf ideeën aandragen of activiteiten organiseren?
Een grotere BSO is daarmee niet automatisch beter dan een kleine BSO. Voor het ene kind is juist rust en kleinschaligheid belangrijk, terwijl een ander kind vanaf een bepaalde leeftijd meer behoefte krijgt aan leeftijdsgenoten, keuzevrijheid en een uitgebreider activiteitenaanbod. Dat kan bovendien veranderen naarmate je kind ouder wordt.
En wat als je kind alleen maar wil gamen?
Soms betekent “ik wil niet naar de BSO” eigenlijk: thuis mag ik gamen, op mijn telefoon of met vrienden online en op de BSO niet. Dat maakt de discussie ingewikkelder.
Dat een kind thuis liever achter een spelcomputer zit, betekent niet automatisch dat de BSO zijn activiteiten moet aanpassen. Tegelijkertijd horen digitale activiteiten inmiddels bij de leefwereld van kinderen.
De interessante vraag is daarom niet alleen hoeveel schermtijd een BSO toestaat, maar ook welk soort schermgebruik past bij buitenschoolse opvang. Samen een game spelen is iets anders dan een hele middag individueel scrollen op sociale media. Daarover lees je meer in ons artikel TikTok, gamen en tablets op de BSO: waar ligt voor ouders de grens?.
Heeft je kind aansluiting bij andere kinderen?
Voor veel kinderen is de aanwezigheid van vriendjes belangrijker dan het activiteitenprogramma. Een prachtige BSO met veel activiteiten kan toch niet leuk voelen wanneer een kind niemand heeft met wie het graag speelt.
Vraag daarom eens met wie je kind optrekt. Misschien blijken schoolvriendjes op andere dagen te komen. Soms kan een simpele verandering in groepsindeling of activiteit al helpen om contact met andere kinderen te stimuleren.
Een BSO heeft ook een pedagogische opdracht op dit gebied. Eén van de vier pedagogische doelen is het bevorderen van sociale competenties. Pedagogisch professionals begeleiden kinderen bij contact met anderen en kunnen helpen wanneer een kind moeilijk aansluiting vindt.
Neem signalen over pesten of onveiligheid serieus
Een kind dat niet naar de BSO wil omdat het wordt buitengesloten, gepest of bang is voor een ander kind vraagt om een andere aanpak dan een kind dat de BSO vooral saai vindt.
Vraag rustig wat er gebeurt, hoe vaak het gebeurt, wie erbij betrokken zijn en of een pedagogisch professional het heeft gezien. Bespreek het vervolgens met de BSO en vraag hoe de situatie wordt aangepakt.
Hetzelfde geldt wanneer je kind zegt bang te zijn voor een medewerker of zich op een andere manier niet veilig te voelen. Trek niet onmiddellijk conclusies op basis van één losse uitspraak, maar schuif zo’n signaal ook niet terzijde.
Emotionele veiligheid is één van de basisvoorwaarden van verantwoorde kinderopvang. Iedere kinderopvangorganisatie moet in haar pedagogisch beleid beschrijven hoe zij kinderen een veilige omgeving biedt.
Kunnen wisselende medewerkers een rol spelen?
Ook dat kan. Het ene kind vindt het nauwelijks interessant wie er die middag werkt, terwijl een ander kind veel behoefte heeft aan bekende medewerkers.
Wanneer er regelmatig andere pedagogisch professionals op de groep staan, kan een kind daardoor minder aansluiting ervaren. Zeker wanneer een favoriete medewerker vertrekt kan een kind een periode minder enthousiast over de BSO zijn.
Dat betekent niet dat iedere personeelswisseling problematisch is. Ziekte, verlof, vakantie en personeelswisselingen horen tot op zekere hoogte bij iedere organisatie. Wel mag je verwachten dat een BSO aandacht heeft voor continuïteit en dat kinderen weten bij welke medewerkers zij terechtkunnen.
Lees hierover ook: Steeds andere gezichten in de kinderopvang: wat mag je als ouder verwachten?.
Moet je je kind dan gewoon laten gaan?
Dat hangt af van de situatie. Wanneer een kind af en toe geen zin heeft omdat het liever thuis wil zijn, hoeft stoppen met de BSO niet direct de oplossing te zijn. Kinderen hoeven ook niet iedere activiteit of iedere opvangmiddag fantastisch te vinden.
Tegelijkertijd helpt het meestal niet om structurele weerstand af te doen met: “Je moet gewoon gaan.” Daarmee kan een kind het gevoel krijgen dat het geen zin heeft om nog uit te leggen wat er speelt.
Een betere boodschap kan zijn dat je begrijpt dat je kind liever niet gaat, maar dat je samen wilt ontdekken waardoor dat komt en wat er eventueel veranderd kan worden.
Kun je afspraken maken met de BSO?
Vaak wel. Niet iedere oplossing hoeft groot te zijn. Misschien kan je kind na school eerst twintig minuten rustig lezen. Misschien kan een medewerker helpen om aansluiting te vinden bij een andere groep kinderen. Een ouder kind kan wellicht meer invloed krijgen op activiteiten of een eigen project starten.
Bespreek vooral wat haalbaar is. Een BSO kan niet garanderen dat een bepaald vriendje iedere middag aanwezig is of dat één specifieke pedagogisch professional altijd werkt. Wel kan een organisatie samen met ouder en kind bekijken waardoor het kind zich prettiger zou kunnen voelen.
Betrek oudere kinderen bij de oplossing
Hoe ouder een kind wordt, hoe belangrijker het is om niet alleen óver maar ook mét het kind te praten. Vraag bijvoorbeeld: “Wat zou ervoor zorgen dat de BSO één punt leuker wordt?”
Dat is vaak gemakkelijker te beantwoorden dan de grote vraag waarom de BSO niet leuk is.
Misschien zegt je kind dat het samen met een vriend naar buiten wil kunnen, wil leren koken, zelf muziek wil luisteren, gamen met leeftijdsgenoten of meer verantwoordelijkheid wil krijgen. Niet iedere wens kan worden uitgevoerd, maar het antwoord geeft wel informatie over wat je kind mist.
Wanneer is een andere BSO het overwegen waard?
Soms blijkt uiteindelijk dat de opvang gewoon niet goed bij het kind past. BSO’s kunnen behoorlijk van elkaar verschillen. De ene locatie legt veel nadruk op sport, een andere op natuur, creativiteit of vrij spel. Ook groepsgrootte, leeftijdsopbouw, ruimte en pedagogische aanpak verschillen.
Daarbij kan ook de leeftijdsopbouw belangrijk zijn. Een kleinschalige BSO kan voor een jong kind ideaal zijn, maar wanneer datzelfde kind enkele jaren later één van de weinige tien- of elfjarigen op de locatie is, kunnen de behoeften zijn veranderd. Een grotere locatie met meer leeftijdsgenoten en activiteiten voor oudere kinderen kan dan beter aansluiten. Andersom kan een kind dat snel last heeft van drukte juist veel gelukkiger zijn op een kleine BSO.
Als gesprekken en kleine aanpassingen weinig veranderen en je kind structureel ongelukkig blijft, kan het verstandig zijn om te kijken of een andere BSO beter aansluit.
Dat betekent niet automatisch dat de huidige BSO slecht is. Een locatie die perfect past bij het ene kind kan voor een ander kind veel minder geschikt zijn.
Via Kinderopvang-Wijzer kun je meer lezen over buitenschoolse opvang en zoeken naar geregistreerde BSO-locaties in jouw plaats of gemeente.
Wanneer moet je je echt zorgen maken?
Let vooral op een duidelijke verandering in gedrag die langere tijd aanhoudt. Bijvoorbeeld wanneer je kind voor iedere BSO-dag erg gespannen raakt, slecht slaapt, steeds lichamelijke klachten noemt, opvallend stil wordt of juist veel bozer is dan normaal.
Bespreek aanhoudende zorgen in ieder geval met de mentor of pedagogisch professional. Wanneer de klachten breder spelen dan alleen rond de BSO of je je zorgen maakt over de ontwikkeling of het welzijn van je kind, kun je ook overleggen met bijvoorbeeld school, de jeugdarts of huisarts.
Wat kun je als ouder het beste doen?
Als je kind niet naar de BSO wil, hoeft de eerste stap dus niet te zijn om het contract op te zeggen. Probeer eerst te ontdekken wat je kind eigenlijk bedoelt. Kijk naar patronen, stel concrete vragen en bespreek je bevindingen met de pedagogisch professionals.
Vraag ook hoe zij jouw kind zien. Soms blijkt dat één kleine verandering veel verschil maakt. Soms is het vooral een fase. En soms komt er een probleem naar voren dat serieus moet worden aangepakt.
Kijk daarbij niet alleen naar de BSO zelf, maar ook naar wat je kind inmiddels nodig heeft. Een locatie die op vijfjarige leeftijd perfect aansloot, hoeft op tienjarige leeftijd niet automatisch nog steeds de beste omgeving te zijn. Leeftijdsgenoten, zelfstandigheid en activiteiten die passen bij oudere kinderen kunnen gaandeweg belangrijker worden.
Het belangrijkste is dat een kind ervaart dat zijn gevoel serieus wordt genomen zonder dat iedere keer “ik wil niet” automatisch betekent dat het ook niet hoeft. Daarmee geef je ruimte aan het verhaal van je kind én kun je samen met de BSO zoeken naar een oplossing.
Veelgestelde vragen over een kind dat niet naar de BSO wil
Is het normaal dat mijn kind niet naar de BSO wil?
Ja, een kind kan af en toe liever naar huis willen of geen zin hebben in de BSO. Dat hoeft geen probleem te zijn. Wanneer je kind structureel niet wil, verdrietig of angstig wordt of plotseling anders tegen de BSO aankijkt, is het verstandig om te onderzoeken wat er speelt.
Wat doe ik als mijn kind zegt dat de BSO saai is?
Vraag door wat je kind precies saai vindt. Zijn er weinig leeftijdsgenoten, passen de activiteiten niet, is er te weinig vrijheid of wil je kind eigenlijk gewoon liever thuis zijn? Bespreek vervolgens met de BSO of er mogelijkheden zijn om beter bij de interesses en leeftijd van je kind aan te sluiten.
Is een kleine BSO beter voor mijn kind?
Dat verschilt per kind. Een kleinschalige BSO kan rust, overzicht en vertrouwde gezichten bieden. Het nadeel kan zijn dat er, vooral voor oudere kinderen, minder leeftijdsgenoten zijn en daardoor minder activiteiten specifiek voor hun leeftijd worden georganiseerd. Kijk daarom niet alleen naar de grootte van de BSO, maar vooral naar wat bij jouw kind past.
Wat als mijn kind geen vriendjes heeft op de BSO?
Bespreek dit met de pedagogisch professional of mentor. Zij kunnen kijken met wie je kind contact heeft en kunnen helpen bij het vinden van aansluiting, bijvoorbeeld door kinderen bewust samen bij een activiteit te betrekken.
Wat als mijn kind wordt gepest op de BSO?
Neem dat serieus en probeer rustig duidelijk te krijgen wat er gebeurt. Bespreek de situatie met de BSO en vraag welke stappen worden genomen om de veiligheid van je kind te waarborgen en het gedrag binnen de groep te begeleiden.
Kan ik met de mentor praten als mijn kind niet naar de BSO wil?
Ja. Ieder kind op de BSO heeft een mentor. De mentor is een aanspreekpunt voor zowel ouders als het kind. Je kunt zelf om een gesprek vragen wanneer je zorgen hebt over het welbevinden van je kind.
Wanneer is overstappen naar een andere BSO verstandig?
Overstappen kan een optie zijn wanneer je kind structureel ongelukkig blijft, gesprekken en aanpassingen onvoldoende helpen en een andere BSO beter lijkt aan te sluiten bij de behoeften, leeftijd en interesses van je kind. Houd uiteraard ook rekening met beschikbaarheid en eventuele wachtlijsten.