Ga naar de inhoud
Kinderopvang - Wijzer

Wegwijs in de kinderopvang

Kinderopvang - Wijzer

Wegwijs in de kinderopvang

  • Start
  • Ouders
    • Welke soorten kinderopvang zijn er?
    • Wanneer beginnen met zoeken naar kinderopvang?
    • Waar let ik op bij het kiezen van kinderopvang?
    • Openingstijden en dagen in de kinderopvang
    • Kinderopvang vergelijken: waar let je op?
    • Wiki-kinderopvang
    • Zwangerschapskalender
  • Opvang zoeken
    • Zoek op gemeente
    • Zoek op plaats
    • Zoek op houders
    • Zoek op opvangvormen
      • Zoeken op KDV
      • Zoeken op KDV-VE
      • Zoeken op BSO
    • Zoek op GGD-regio
    • Zoek locaties basisscholen
  • Kosten en toeslag
    • Kinderopvangtoeslag
    • Tabel kinderopvangtoeslag
    • Maximum uurtarieven
    • Netto kosten kinderopvang
    • Bijna gratis kinderopvang
  • Sector en cijfers
    • Dashboard kinderopvang
    • Stand van zaken KDV
    • Stand van zaken BSO
    • Top 100 kinderopvang
    • Maandoverzichten
  • Nieuws en dossiers
  • Start
  • Ouders
    • Welke soorten kinderopvang zijn er?
    • Wanneer beginnen met zoeken naar kinderopvang?
    • Waar let ik op bij het kiezen van kinderopvang?
    • Openingstijden en dagen in de kinderopvang
    • Kinderopvang vergelijken: waar let je op?
    • Wiki-kinderopvang
    • Zwangerschapskalender
  • Opvang zoeken
    • Zoek op gemeente
    • Zoek op plaats
    • Zoek op houders
    • Zoek op opvangvormen
      • Zoeken op KDV
      • Zoeken op KDV-VE
      • Zoeken op BSO
    • Zoek op GGD-regio
    • Zoek locaties basisscholen
  • Kosten en toeslag
    • Kinderopvangtoeslag
    • Tabel kinderopvangtoeslag
    • Maximum uurtarieven
    • Netto kosten kinderopvang
    • Bijna gratis kinderopvang
  • Sector en cijfers
    • Dashboard kinderopvang
    • Stand van zaken KDV
    • Stand van zaken BSO
    • Top 100 kinderopvang
    • Maandoverzichten
  • Nieuws en dossiers
Sluiten

Zoeken

Kinderopvang - Wijzer

Wegwijs in de kinderopvang

Kinderopvang - Wijzer

Wegwijs in de kinderopvang

  • Start
  • Ouders
    • Welke soorten kinderopvang zijn er?
    • Wanneer beginnen met zoeken naar kinderopvang?
    • Waar let ik op bij het kiezen van kinderopvang?
    • Openingstijden en dagen in de kinderopvang
    • Kinderopvang vergelijken: waar let je op?
    • Wiki-kinderopvang
    • Zwangerschapskalender
  • Opvang zoeken
    • Zoek op gemeente
    • Zoek op plaats
    • Zoek op houders
    • Zoek op opvangvormen
      • Zoeken op KDV
      • Zoeken op KDV-VE
      • Zoeken op BSO
    • Zoek op GGD-regio
    • Zoek locaties basisscholen
  • Kosten en toeslag
    • Kinderopvangtoeslag
    • Tabel kinderopvangtoeslag
    • Maximum uurtarieven
    • Netto kosten kinderopvang
    • Bijna gratis kinderopvang
  • Sector en cijfers
    • Dashboard kinderopvang
    • Stand van zaken KDV
    • Stand van zaken BSO
    • Top 100 kinderopvang
    • Maandoverzichten
  • Nieuws en dossiers
  • Start
  • Ouders
    • Welke soorten kinderopvang zijn er?
    • Wanneer beginnen met zoeken naar kinderopvang?
    • Waar let ik op bij het kiezen van kinderopvang?
    • Openingstijden en dagen in de kinderopvang
    • Kinderopvang vergelijken: waar let je op?
    • Wiki-kinderopvang
    • Zwangerschapskalender
  • Opvang zoeken
    • Zoek op gemeente
    • Zoek op plaats
    • Zoek op houders
    • Zoek op opvangvormen
      • Zoeken op KDV
      • Zoeken op KDV-VE
      • Zoeken op BSO
    • Zoek op GGD-regio
    • Zoek locaties basisscholen
  • Kosten en toeslag
    • Kinderopvangtoeslag
    • Tabel kinderopvangtoeslag
    • Maximum uurtarieven
    • Netto kosten kinderopvang
    • Bijna gratis kinderopvang
  • Sector en cijfers
    • Dashboard kinderopvang
    • Stand van zaken KDV
    • Stand van zaken BSO
    • Top 100 kinderopvang
    • Maandoverzichten
  • Nieuws en dossiers
Sluiten

Zoeken

Home/Actueel en info/Continue VOG-screening in het onderwijs: in de kinderopvang gebeurt dit al jaren
Schoolsluiting
Actueel en infoNieuws voor ouders

Continue VOG-screening in het onderwijs: in de kinderopvang gebeurt dit al jaren

11 juni 2026 101 Min lezen

Ouders willen erop kunnen vertrouwen dat hun kind op school, op de opvang en op een integraal kindcentrum in een veilige omgeving is. Daarbij gaat veiligheid natuurlijk om veel meer dan regels en registers. Het gaat om goede pedagogische begeleiding, open communicatie, alert personeel en een cultuur waarin signalen serieus worden genomen.

Toch speelt ook screening een belangrijke rol. Wie met kinderen werkt, moet aantoonbaar geschikt zijn om dat werk te doen. In de kinderopvang gebeurt dat al geruime tijd via het Personenregister Kinderopvang en continue VOG-screening. Opvallend genoeg wordt nu pas voorgesteld om een vergelijkbare vorm van continue screening ook in het funderend onderwijs in te voeren.

Wat wordt er voorgesteld?

Via internetconsultatie ligt het Wetsvoorstel register continue screening funderend onderwijs voor. Met dit wetsvoorstel wil de overheid continue screening invoeren in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs. Daarnaast moet de VOG-plicht gaan gelden voor meer mensen die structureel bij het onderwijs betrokken zijn.

Het idee is dat personen die duurzaam aan een school zijn verbonden, of structureel werkzaamheden verrichten waarbij zij zonder toezicht met leerlingen in aanraking komen, worden opgenomen in een register. Daarna wordt niet alleen bij de start gekeken of iemand een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag heeft, maar wordt ook daarna voortdurend gecontroleerd of er relevante nieuwe justitiële gegevens zijn.

Een VOG is nu vaak een momentopname

Een Verklaring Omtrent het Gedrag is belangrijk. Maar een VOG zegt vooral iets over het moment waarop deze wordt aangevraagd. Iemand kan op dat moment geschikt zijn, maar later toch te maken krijgen met justitiële gegevens die relevant zijn voor het werken met kinderen.

Dat is precies het probleem dat continue screening probeert te ondervangen. Niet door iedereen voortdurend verdacht te maken, maar door sneller te signaleren wanneer er mogelijk iets is veranderd dat relevant is voor de veiligheid van kinderen.

In de kinderopvang is dit al veel langer normaal

Voor ouders die al ervaring hebben met kinderopvang klinkt continue screening waarschijnlijk niet nieuw. In de kinderopvang bestaat continue screening al sinds 2013. Sinds 2018 is het Personenregister Kinderopvang ingevoerd en moeten mensen die binnen de kinderopvang VOG-plichtig zijn, in dat register staan en gekoppeld zijn aan de kinderopvangorganisatie.

Dat geldt niet alleen voor vaste medewerkers, maar ook voor bijvoorbeeld stagiairs, uitzendkrachten, vrijwilligers, gastouders, huisgenoten van gastouders en andere personen die structureel aanwezig zijn op een opvanglocatie.

Na inschrijving start de continue screening. Er wordt dan doorlopend gecontroleerd of iemand strafbare feiten heeft gepleegd die niet samengaan met werken met kinderen. Als er een relevant signaal komt, wordt via DUO en GGD de kinderopvangorganisatie geïnformeerd. De betreffende persoon moet dan een nieuwe VOG aanvragen. Zonder nieuwe VOG mag die persoon niet blijven werken in de kinderopvang.

Waarom dan nu pas in het onderwijs?

Dat is een terechte vraag. Kinderen zitten immers niet alleen op de kinderopvang, maar ook op school in een omgeving waar zij afhankelijk zijn van volwassenen.

Volgens de toelichting bij het wetsvoorstel kent de huidige VOG-systematiek in het onderwijs meerdere beperkingen. De VOG wordt meestal alleen bij indiensttreding gevraagd. Naarmate iemand langer op dezelfde school werkt, biedt die oude VOG steeds minder actuele zekerheid. Ook hoeft op dit moment niet iedereen die duurzaam bij een school betrokken is automatisch onder dezelfde screening te vallen.

Daarnaast speelt bij invalkrachten een praktisch probleem. Een VOG-aanvraag kan tijd kosten, terwijl invalkrachten vaak snel nodig zijn. Door te werken met een register kan iemand die al is ingeschreven en gescreend sneller aan een nieuw bevoegd gezag worden gekoppeld.

Ook belangrijk bij integrale kindcentra

Voor ouders is dit vooral interessant bij integrale kindcentra, waar opvang en onderwijs op één locatie samenwerken. In de praktijk lopen kinderopvang en onderwijs daar steeds vaker door elkaar heen.

Juist dan is het vreemd als de kinderopvang al jaren werkt met continue screening, terwijl het onderwijs nog grotendeels afhankelijk is van een VOG-moment bij aanstelling. Het wetsvoorstel erkent ook dat er nu een knelpunt kan ontstaan wanneer een medewerker uit het primair onderwijs op een IKC ook onder het personenregister kinderopvang valt. Bij een signaal wordt de kinderopvanghouder geïnformeerd, maar niet automatisch het bevoegd gezag van de school. Met een eigen register voor het onderwijs moet ook dat worden opgelost.

Voor wie gaat dit gelden?

Het voorstel gaat niet alleen over leraren. De reikwijdte wordt breder. Het gaat onder meer om:

  • personeel van de school;
  • bestuurders en intern toezichthouders;
  • stagiairs;
  • personen van particuliere onderwijsaanbieders die in het schoolgebouw werkzaamheden verrichten;
  • personen die structureel werkzaamheden verrichten voor de school en daarbij zonder toezicht in aanraking komen met leerlingen.

Voor ouders die af en toe helpen op school is vooral dat laatste punt relevant. Niet iedere ouder die een keer meegaat met een schoolreisje of helpt bij een activiteit valt automatisch onder continue screening. Het voorstel richt zich vooral op mensen die structureel betrokken zijn én zonder toezicht van een al gescreende persoon met leerlingen in aanraking komen.

Betekent dit dat scholen nu onveilig zijn?

Nee, zo simpel ligt het niet. De meeste professionals in het onderwijs en de kinderopvang doen hun werk met grote betrokkenheid en verantwoordelijkheid.

Maar veiligheid vraagt om meerdere waarborgen. Een goede sfeer, open aanspreekcultuur, vierogenprincipe, duidelijke meldroutes en aandacht voor signalen blijven belangrijk. Continue screening is geen vervanging van goed toezicht op de werkvloer, maar een extra vangnet.

Voor ouders is vooral belangrijk dat de overheid erkent dat een eenmalige VOG niet altijd voldoende is. Zeker bij mensen die langdurig met kinderen werken, is het logisch dat relevante veranderingen ook later kunnen worden meegewogen.

Wanneer gaat dit in?

Het gaat op dit moment om een wetsvoorstel in consultatie. Dat betekent dat de wet nog niet definitief is. Volgens de consultatiegegevens loopt de internetconsultatie van 9 juni 2026 tot 14 september 2026. In de toelichting wordt genoemd dat beoogd wordt om het gehele wetsvoorstel per 1 augustus 2029 in werking te laten treden, met een gefaseerde invoering.

Wat betekent dit voor ouders?

Voor ouders verandert er op korte termijn waarschijnlijk nog niets. Maar het onderwerp is wel belangrijk. Ouders vertrouwen hun kinderen dagelijks toe aan opvang, school, BSO, gastouderopvang of een integraal kindcentrum. Dan is het logisch dat zij willen weten welke waarborgen er zijn.

De kinderopvangsector werkt al jaren met continue screening. Dat systeem is niet perfect en neemt nooit alle risico’s weg. Maar het zorgt er wel voor dat een VOG geen eenmalige momentopname blijft.

Als dit wetsvoorstel doorgaat, wordt dat uitgangspunt ook in het funderend onderwijs ingevoerd. Voor ouders is dat vooral een stap richting meer gelijke veiligheidswaarborgen tussen kinderopvang en onderwijs.

Belangen

De discussie over continue screening raakt aan twee belangen: de veiligheid van kinderen en de privacy van volwassenen die in of rond het onderwijs werken. Beide belangen doen ertoe.

Maar wie vanuit het perspectief van ouders kijkt, zal vooral één vraag stellen: waarom zou een kind in de kinderopvang wél beschermd worden door continue screening, terwijl dat op school nog niet op dezelfde manier is geregeld?

Dat deze stap nu ook voor het onderwijs wordt voorbereid, is daarom niet vreemd. Eerder zou je kunnen zeggen: het is opvallend dat de kinderopvang dit al jaren kent, terwijl het onderwijs nu pas volgt.


Ga naar internetconsultatie – uiterlijk 14-09-2026

Bronnen en achtergrond

  • Internetconsultatie: Wetsvoorstel register continue screening funderend onderwijs
  • Consultatieversie wetsvoorstel en memorie van toelichting
  • DUO: Personenregister Kinderopvang en continue screening
  • Justis/Rijksoverheid: Handleiding continue screening kinderopvang

Volledige tekst consultatieversie

Wet houdende de inrichting van een register in verband met de continue screening van personen werkzaam in het funderend onderwijs op veranderingen in de justitiële documentatie (Wet register continue screening funderend onderwijs) [KetenID WGK027564]

Voorstel van wet

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat in het funderend onderwijs personen die duurzaam verbonden zijn aan de school dan wel daar structureel werkzaamheden verrichten waarbij zij zonder toezicht in aanraking komen met leerlingen, continu gescreend worden op veranderingen in de justitiële documentatie op basis waarvan kan worden beoordeeld of deze personen nog voldoen aan de vereisten voor een verklaring omtrent het gedrag;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders is

bepaald, verstaan onder:

bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 dan wel samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; burgerservicenummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;

ingeschrevene: degene die in het register is ingeschreven;

inspectie: Inspectie van het Onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het Onderwijstoezicht;

justitiële documentatie: justitiële documentatie als bedoeld in artikel 1 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

register: register continue screening funderend onderwijs als bedoeld in artikel 2, eerste lid;

verklaring omtrent het gedrag: verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Artikel 2. Register continue screening funderend onderwijs

  1. Er is een register continue screening funderend onderwijs waarin gegevens ten behoeve van de identificatie van ingeschrevenen zijn opgenomen.
  2. Onze Minister draagt zorg voor het beheer van het register.
  3. Onze Minister is voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van het register de verwerkingsverantwoordelijke.

Artikel 3. Doel

Het register heeft tot doel om te waarborgen dat alle personen die in het register zijn ingeschreven, continu worden gescreend op veranderingen in de justitiële documentatie.

Artikel 4. Continue screening

Er is sprake van een voortdurende uitwisseling van gegevens over de ingeschrevenen in het register door Onze Minister en Onze Minister van Justitie en Veiligheid voor de controle op nieuwe gegevens in de justitiële documentatie van de ingeschrevene, ten behoeve van de beoordeling of de ingeschrevene nog steeds voldoet aan de eisen zoals deze gelden bij de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag.

Hoofdstuk 2. Het register continue screening funderend onderwijs Artikel 5. Inschrijving

  1. Onze Minister schrijft op verzoek degene die daartoe de benodigde gegevens

verstrekt in het register in.

  • De benodigde gegevens zijn het burgerservicenummer en bij algemene maatregel van bestuur te bepalen overige gegevens ten behoeve van de identificatie.
  • Ten hoogste vier maanden na de inschrijving verstrekt de ingeschrevene een verklaring omtrent het gedrag, die is afgegeven na het moment van inschrijving.
  • Onze Minister kan ten behoeve van de inschrijving een vergoeding van kosten verlangen.
  • Het bedrag ter vergoeding van de kosten wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

Artikel 6. Koppeling

  1. Het bevoegd gezag kan Onze Minister verzoeken een ingeschrevene aan het bevoegd gezag te koppelen.
  2. Het bevoegd gezag verstrekt ten behoeve van het verzoek tot koppeling het burgerservicenummer van de ingeschrevene.
  3. Indien de ingeschrevene instemt met het verzoek tot koppeling, koppelt Onze Minister de ingeschrevene aan het bevoegd gezag.
  4. In afwijking van het derde lid wordt geen koppeling gelegd met een ingeschrevene:
    1. die nog geen verklaring omtrent het gedrag heeft verstrekt als bedoeld in artikel 5, derde lid; dan wel
    1. waarvan de inschrijving is geschorst als bedoeld in artikel 7, eerste lid.
  5. Op verzoek van de ingeschrevene dan wel het bevoegd gezag wordt de koppeling twee weken na een daartoe strekkend verzoek beëindigd.
  6. Het bevoegd gezag en de ingeschrevene worden onverwijld geïnformeerd over het verzoek tot beëindiging van de koppeling.
  7. Onze Minister verstrekt eenmaal per jaar aan het bevoegd gezag en de ingeschrevene een overzicht van diens koppelingen.

Artikel 7. Kennisgeving en schorsing

  1. Indien Onze Minister redelijkerwijs mag vermoeden dat de ingeschrevene niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag schorst hij onverwijld de inschrijving.
  • Onze Minister stelt de ingeschrevene en het bevoegd gezag waaraan de ingeschrevene gekoppeld is in kennis van de schorsing.
  • De kennisgeving omvat de gegevens ten behoeve van de identificatie, bedoeld in artikel 5, tweede lid.
  • Onze Minister informeert de inspectie over de kennisgeving en vermeldt daarbij het bevoegd gezag waarop de kennisgeving betrekking heeft.
  • Onze Minister heft de schorsing onverwijld op nadat de ingeschrevene een verklaring omtrent het gedrag heeft overgelegd, die is afgegeven na de kennisgeving.
  • Onze Minister stelt de ingeschrevene en het bevoegd gezag waaraan de ingeschrevene gekoppeld is in kennis van het opheffen van de schorsing.
  • Indien de schorsing wordt opgeheven als bedoeld in het vijfde lid, vernietigt Onze Minister de gegevens die aanleiding waren voor het vermoeden, bedoeld in het eerste lid.
  • Indien de ingeschrevene niet gekoppeld is aan een bevoegd gezag, als bedoeld in artikel 6, derde lid, informeert Onze Minister, in afwijking van het tweede, vierde en zesde lid, slechts de ingeschrevene.

Artikel 8. Beëindiging inschrijving

  1. Inschrijving in het register eindigt:
    1. vier maanden na de inschrijving, indien de ingeschrevene geen verklaring omtrent het gedrag heeft verstrekt als bedoeld in artikel 5, derde lid;
    1. na vier maanden, indien de ingeschrevene zonder koppeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, is opgenomen;
    1. vier maanden na de schorsing, bedoeld in artikel 7, eerste lid, indien de ingeschrevene geen verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, heeft overgelegd;
    1. uiterlijk twee weken volgend op de dag waarop de ingeschrevene een verzoek tot beëindiging indient, indien de ingeschrevene zonder koppeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, staat ingeschreven;
    1. uiterlijk twee weken na kennisgeving van het overlijden van de ingeschrevene.
  2. Op verzoek van de ingeschrevene kan de termijn, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, eenmaal worden verlengd voor de duur van negen maanden.
  3. Onze Minister vernietigt na beëindiging van de inschrijving de gegevens van de ingeschrevene.

Artikel 9. Toegang

  1. Het register kan worden geraadpleegd door:
    1. de ingeschrevene, ten behoeve van inzage in de gegevens die over de ingeschrevene in het register zijn opgenomen;
    1. door het bevoegd gezag geautoriseerde personen, ten behoeve van het indienen van een verzoek tot koppeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid;
    1. door het bevoegd gezag geautoriseerde personen, ten behoeve van het inzien van de gegevens over ingeschrevenen die aan het bevoegd gezag zijn gekoppeld als bedoeld in artikel 6, derde lid;
    1. door de inspectie geautoriseerde personen, ten behoeve van de uitoefening van de taken van de inspectie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het Onderwijstoezicht;
    1. Onze Minister, voor zover noodzakelijk voor de uitoefening van de bij deze wet opgelegde taken.
  2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de autorisatie van degenen die onder het gezag van Onze Minister vallen voor de toegang tot het register, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.
  3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de toegang tot het register.

Hoofdstuk 3. Wijziging sectorwetten


Artikel 10. Wijziging van de Wet op het primair onderwijs

De Wet op het primair onderwijs wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1 wordt onder vervanging van de punt aan het slot van de laatste begripsbepaling door een puntkomma een begripsbepaling toegevoegd, luidende:

register continue screening funderend onderwijs: register continue screening funderend onderwijs als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet register continue screening funderend onderwijs.

B

Artikel 3, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

  1. onvoorwaardelijk is ingeschreven in het register continue screening funderend onderwijs,.

C

Artikel 3a, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

  1. onvoorwaardelijk is ingeschreven in het register continue screening funderend onderwijs,.

D

Na artikel 3a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3b. Continue screening

  1. Het bevoegd gezag is in het register continue screening funderend onderwijs gekoppeld aan:
    1. het personeel;
    1. de leden van het bestuur;
    1. degene die is aangesteld als intern toezichthouder of de leden van het intern toezichthoudend orgaan als bedoeld in artikel 17b;
    1. de student, bedoeld in artikel 36, eerste lid;
    1. degene die werkzaam is als of voor een particuliere onderwijsaanbieder en in het schoolgebouw tijdens of aansluitend op de onderwijstijd werkzaamheden verricht die een bijdrage leveren aan het onderwijsleerproces;
    1. degene die onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag structureel werkzaamheden verricht ten behoeve van de school en daarbij zonder toezicht van een andere gekoppelde, als bedoeld in de aanhef, in aanraking komt met leerlingen.
  2. Het bevoegd gezag laat de persoon, bedoeld in het eerste lid, geen werkzaamheden verrichten voordat de koppeling, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Wet register continue screening funderend onderwijs, is gelegd.
  3. Het bevoegd gezag stopt de werkzaamheden van de gekoppelde, bedoeld in het eerste lid, indien het bevoegd gezag een kennisgeving ontvangt als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet register continue screening funderend onderwijs.
  4. De werkzaamheden, bedoeld in het derde lid, kunnen hervatten nadat het bevoegd gezag in kennis is gesteld van het opheffen van de schorsing als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de Wet register continue screening funderend onderwijs.
  5. Het bevoegd gezag vernietigt de kennisgeving, bedoeld in het derde lid, nadat het bevoegd gezag in kennis is gesteld van het opheffen van de schorsing dan wel op het moment dat het bevoegd gezag de kennisgeving niet langer nodig heeft ten behoeve van het beëindigen van de werkzaamheden van de gekoppelde.
  • Indien de gekoppelde, bedoeld in het eerste lid, niet langer werkzaamheden verricht voor de school dient het bevoegd gezag een verzoek tot beëindiging van de koppeling in als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de Wet register continue screening funderend onderwijs.
  • Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.
  • In afwijking van het eerste lid is het bevoegd gezag niet gekoppeld aan een persoon als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, indien deze persoon werkzaamheden verricht op de school in opdracht van het samenwerkingsband waarbij de school is aangesloten.

E

Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

  1. Het tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 1, komt te luiden:

1°. een onvoorwaardelijke inschrijving in het register continue screening funderend onderwijs,.

  • In het zevende lid, onderdeel a, wordt ‘in het bezit te zijn van de verklaring, bedoeld’ vervangen door ‘onvoorwaardelijk ingeschreven te zijn in het register continue screening funderend onderwijs, als bedoeld’.
  • Het negende lid vervalt, onder vernummering van het tiende en elfde lid tot het negende en tiende lid.

F

In artikel 34a, eerste lid, vervalt ‘, van verklaringen omtrent het gedrag’.

G

Artikel 34b vervalt. H

In artikel 45 vervalt lid 1a.

Artikel 11. Wijziging van de Wet op de expertisecentra

De Wet op de expertisecentra wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1 wordt onder vervanging van de punt aan het slot van de laatste begripsbepaling door een puntkomma een begripsbepaling toegevoegd, luidende:

register continue screening funderend onderwijs: register continue screening funderend onderwijs als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet register continue screening funderend onderwijs.

B

Artikel 3, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. onvoorwaardelijk is ingeschreven in het register continue screening funderend onderwijs,.

C

Artikel 3a, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. onvoorwaardelijk is ingeschreven in het register continue screening funderend onderwijs,.

D

Na artikel 3a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3b. Continue screening

  1. Het bevoegd gezag is in het register continue screening funderend onderwijs gekoppeld aan:
    1. het personeel;
    1. de leden van het bestuur;
    1. degene die is aangesteld als intern toezichthouder of de leden van het intern toezichthoudend orgaan als bedoeld in artikel 28h;
    1. de student, bedoeld in artikel 36, eerste lid;
    1. degene die werkzaam is als of voor een particuliere onderwijsaanbieder en in het schoolgebouw tijdens of aansluitend op de onderwijstijd werkzaamheden verricht die een bijdrage leveren aan het onderwijsleerproces;
    1. degene die onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag structureel werkzaamheden verricht ten behoeve van de school en daarbij zonder toezicht van een andere gekoppelde, als bedoeld in de aanhef, in aanraking komt met leerlingen.
  2. Het bevoegd gezag laat de persoon, bedoeld in het eerste lid, geen werkzaamheden verrichten voordat de koppeling, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Wet register continue screening funderend onderwijs, is gelegd.
  3. Het bevoegd gezag stopt de werkzaamheden van de gekoppelde, bedoeld in het eerste lid, indien het bevoegd gezag een kennisgeving ontvangt als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet register continue screening funderend onderwijs.
  4. De werkzaamheden, bedoeld in het derde lid, kunnen hervatten nadat het bevoegd gezag in kennis is gesteld van het opheffen van de schorsing als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de Wet register continue screening funderend onderwijs.
  5. Het bevoegd gezag vernietigt de kennisgeving, bedoeld in het derde lid, nadat het bevoegd gezag in kennis is gesteld van het opheffen van de schorsing dan wel op het moment dat het bevoegd gezag de kennisgeving niet langer nodig heeft ten behoeve van het beëindigen van de werkzaamheden van de gekoppelde.
  6. Indien de gekoppelde, bedoeld in het eerste lid, niet langer werkzaamheden verricht voor de school dient het bevoegd gezag een verzoek tot beëindiging van de koppeling in als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de Wet register continue screening funderend onderwijs.
  7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.
  8. In afwijking van het eerste lid is het bevoegd gezag niet gekoppeld aan een persoon als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, indien deze persoon werkzaamheden verricht op de school in opdracht van het samenwerkingsband waarbij de school is aangesloten.

E

Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

  1. Het tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 1, komt te luiden:

1°. een onvoorwaardelijke inschrijving in het register continue screening funderend onderwijs,.

  • In het zevende lid, onderdeel a, wordt ‘in het bezit te zijn van de verklaring, bedoeld’ vervangen door ‘onvoorwaardelijk ingeschreven te zijn in het register continue screening funderend onderwijs, als bedoeld’.
  • Het negende lid vervalt, onder vernummering van het tiende en elfde lid tot het negende en tiende lid.

F

In artikel 34a, eerste lid, vervalt ‘, van verklaringen omtrent het gedrag’.

G

Artikel 34b vervalt.

Artikel 12. Wijziging van de Wet voortgezet onderwijs 2020

De Wet voortgezet onderwijs 2020 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt in de alfabetische volgorde een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

register continue screening funderend onderwijs: register continue screening funderend onderwijs als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet register continue screening funderend onderwijs;.

B

Artikel 7.3, eerste lid, komt te luiden:

  1. Om te kunnen worden benoemd is ieder personeelslid onvoorwaardelijk ingeschreven in het register continue screening funderend onderwijs.

C

Artikel 7.3.a komt te luiden:

Artikel 7.3a. Continue screening

  1. Het bevoegd gezag is in het register continue screening funderend onderwijs gekoppeld aan:
    1. het personeel;
    1. de leden van het bestuur;
    1. degene die is aangesteld als intern toezichthouder of de leden van het intern toezichthoudend orgaan als bedoeld in artikel 3.1;
    1. de student, bedoeld in artikel 7.42, eerste lid;
    1. degene die werkzaam is als of voor een particuliere onderwijsaanbieder en in het schoolgebouw tijdens of aansluitend op de onderwijstijd werkzaamheden verricht die een bijdrage leveren aan het onderwijsleerproces;
    1. degene die onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag structureel werkzaamheden verricht ten behoeve van de school en daarbij zonder toezicht van een andere gekoppelde, als bedoeld in de aanhef, in aanraking komt met leerlingen.
  2. Het bevoegd gezag laat de persoon, bedoeld in het eerste lid, geen werkzaamheden verrichten voordat de koppeling, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Wet register continue screening funderend onderwijs, is gelegd.
  3. Het bevoegd gezag stopt de werkzaamheden van de gekoppelde, bedoeld in het eerste lid, indien het bevoegd gezag een kennisgeving ontvangt als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet register continue screening funderend onderwijs.
  4. De werkzaamheden, bedoeld in het derde lid, kunnen hervatten nadat het bevoegd gezag in kennis is gesteld van het opheffen van de schorsing als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de Wet register continue screening funderend onderwijs.
  5. Het bevoegd gezag vernietigt de kennisgeving, bedoeld in het derde lid, nadat het bevoegd gezag in kennis is gesteld van het opheffen van de schorsing dan wel op het moment dat het bevoegd gezag de kennisgeving niet langer nodig heeft ten behoeve van het beëindigen van de werkzaamheden van de gekoppelde.
  6. Indien de gekoppelde, bedoeld in het eerste lid, niet langer werkzaamheden verricht voor de school dient het bevoegd gezag een verzoek tot beëindiging van de koppeling in

als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de Wet register continue screening funderend onderwijs.

  • Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.
  • In afwijking van het eerste lid is het bevoegd gezag niet gekoppeld aan een persoon als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, indien deze persoon werkzaamheden verricht op de school in opdracht van het samenwerkingsband waarbij de school is aangesloten.

D

In artikel 7.37a vervalt ‘, van de verklaringen omtrent het gedrag’.

E

Voor artikel 11.81 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 11.80a. Verklaring omtrent het gedrag

  1. Artikel 7.3, eerste lid, en artikel 7.3a zijn niet van toepassing.
  2. Om te kunnen worden benoemd, overlegt ieder personeelslid van de school voorafgaand aan zijn benoeming een verklaring omtrent het gedrag.
  3. Het bevoegd gezag bewaart een afschrift van een verklaring omtrent het gedrag van:
    1. het personeel;
    1. de leden van het bestuur;
    1. degene die is aangesteld als intern toezichthouder of de leden van het intern toezichthoudend orgaan, bedoeld in artikel 3.1;
    1. de student, bedoeld in artikel 7.42, eerste lid;
    1. degene die werkzaam is als of voor een particuliere onderwijsaanbieder en in het schoolgebouw tijdens of aansluitend op de onderwijstijd werkzaamheden verricht die een bijdrage leveren aan het onderwijsleerproces;
    1. degene die onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag structureel werkzaamheden verricht ten behoeve van de school en daarbij zonder toezicht van een andere gekoppelde, als bedoeld in de aanhef, in aanraking komt met leerlingen.
  4. De verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan drie maanden en wordt tweejaarlijks geactualiseerd.
  5. Het bevoegd gezag laat de persoon, bedoeld in het derde lid, geen werkzaamheden verrichten indien er geen verklaring omtrent het verdrag is overgelegd als bedoeld in het vierde lid.
  6. Het bevoegd gezag vernietigt het afschrift van de verklaring omtrent het gedrag nadat een geactualiseerde verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in het vierde lid is overgelegd.

Artikel 13. Wijziging van de Wet primair onderwijs BES

De Wet primair onderwijs BES wordt als volgt gewijzigd: A

In artikel 3, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘zes maanden’ vervangen door ‘drie maanden’.

B

In artikel 4, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘zes maanden’ vervangen door ‘drie maanden’.

C

Na artikel 4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4a. Verklaring omtrent het gedrag

  1. Het bevoegd gezag bewaart een afschrift van een verklaring omtrent het gedrag van:
    1. het personeel;
    1. de leden van het bestuur;
    1. degene die is aangesteld als intern toezichthouder of de leden van het intern toezichthoudend orgaan, bedoeld in artikel 24;
    1. de student, bedoeld in artikel 41, eerste lid;
    1. degene die werkzaam is als of voor een particuliere onderwijsaanbieder en in het schoolgebouw tijdens of aansluitend op de onderwijstijd werkzaamheden verricht die een bijdrage leveren aan het onderwijsleerproces;
    1. degene die onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag structureel werkzaamheden verricht ten behoeve van de school en daarbij zonder toezicht van een andere gekoppelde, als bedoeld in de aanhef, in aanraking komt met leerlingen.
  2. De verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan drie maanden en wordt tweejaarlijks geactualiseerd.
  3. Het bevoegd gezag laat de persoon, bedoeld in het eerste lid, geen werkzaamheden verrichten indien er geen verklaring omtrent het verdrag is overgelegd als bedoeld in het tweede lid.
  4. Het bevoegd gezag vernietigt het afschrift van de verklaring omtrent het gedrag nadat een geactualiseerde verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in het tweede lid is overgelegd.

D

In artikel 34, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 1, wordt ‘6 maanden’ vervangen door ‘drie maanden’.

E

Artikel 34a vervalt. F

In artikel 148 wordt ‘niet ouder is dan zes maanden’ vervangen door ‘niet ouder is dan drie maanden’.

Artikel 14. Wijziging van de Leerplichtwet 1969

In artikel 1a1, eerste lid, aanhef, van de Leerplichtwet 1969 wordt na ‘de artikelen 1.1,

1.4,’ ingevoegd ‘ 7.3a,’.

Artikel 15. Wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht

Aan artikel 11 van de Wet op het onderwijstoezicht wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • Ter uitvoering van de in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedoelde taak met betrekking tot artikel 3b, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 3b, derde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 7.3a, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 neemt de inspectie na de melding bedoeld in artikel 7, zevende lid, van de Wet register continue screening funderend onderwijs contact op met het bevoegd gezag.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 16. Evaluatie

Onze Minister zendt binnen zeven jaar na de inwerkingtreding van artikel 2 van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 17. Invoering

  1. In afwijking van de artikelen 3, eerste lid, onderdeel a, 3a, eerste lid, onderdeel a, 3b, 32, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 1, en zevende lid, onderdeel a, en 34a, eerste lid van de Wet op het primair onderwijs zijn de artikelen 3, eerste lid, onderdeel a, 3a, eerste lid, onderdeel a, 32, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 1, zevende lid, onderdeel a, en negende lid, 34a, eerste lid, 34b, en 45, lid 1a, van de Wet op het primair onderwijs zoals deze luidden de dag voorafgaand aan inwerkingtreding van artikel 10 van deze wet van toepassing tot twee jaar na inwerkingtreding van artikel 10 van deze wet.
  2. In afwijking van de artikelen 3, eerste lid, onderdeel a, 3a, eerste lid, onderdeel a, 3b, 32, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 1 en zevende lid, onderdeel a, en 34a, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra zijn de artikelen 3, eerste lid, onderdeel a, 3a, eerste lid, onderdeel a, 32, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 1, zevende lid, onderdeel a, en negende lid, 34a en 34b, van de Wet op de expertisecentra zoals deze luidden de dag voorafgaand aan inwerkingtreding van artikel 11 van deze wet van toepassing tot twee jaar na inwerkingtreding van artikel 11 van deze wet.
  3. In afwijking van de artikelen 7.3, eerste lid, 7.3a. en 7.37a van de Wet voortgezet onderwijs 2020 zijn de artikelen 7.3, eerste lid, 7.3.a. en 7.37a van de Wet voortgezet onderwijs 2020 zoals deze luidden de dag voorafgaand aan inwerkingtreding van artikel 12 van deze wet van toepassing tot twee jaar na inwerkingtreding van artikel 12 van deze wet.
  4. Onze Minister wijst ten behoeve van de invoering van deze wet bevoegde gezagen aan waarop de continue screening van toepassing is.
  5. Het eerste, tweede en derde lid is niet van toepassing op het bevoegd gezag vier maanden nadat het bevoegd gezag is aangewezen als bedoeld in het vierde lid.
  6. Dit artikel is niet van toepassing op het bevoegd gezag dat na inwerkingtreding van de voor het bevoegd gezag van toepassing zijnde bepalingen van deze wet, voor het eerst voor bekostiging in aanmerking is gebracht, als bedoeld in 75, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 4.2 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, dan wel melding heeft gedaan voornemens te zijn onderwijs te gaan verzorgen, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 7, eerste lid, van de Wet primair onderwijs BES, of artikel 3.27, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, dan wel aangewezen is als school, als bedoeld in artikel 1a van de Leerplichtwet 1969.

Artikel 18. Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 19. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet register continue screening funderend onderwijs.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Memorie van toelichting

Inhoud

  1. Algemeen                                                                                                                              12
    1. Inleiding                                                                                                                     12
    1. Probleemanalyse                                                                                                                     13
      1. Onveiligheid in het onderwijs                                                                                                                 13
      1. De huidige VOG-systematiek                                                                                                                 14
      1. Beperkingen in de VOG-systematiek                                                                                                                 14
      1. Toezegging en motie Kisteman                                                                                                                 16
    1. Kern van het voorstel                                                                                                                          16
      1. Introductie continue screening en het register                                                                                                                 17
      1. Uitbreiding van de reikwijdte van de VOG-screening in het onderwijs                                                                                                                 20
    1. Caribisch Nederland                                                                                                                     25
    1. Verhouding tot hoger recht                                                                                                                     25
      1. Verhouding tot het EVRM en het HvEU                                                                                                                 25
      1. Verhouding tot de Grondwet                                                                                                                 28
      1. Periodieke screening                                                                                                                 29
    1. Verhouding tot nationaal recht                                                                                                                     29
      1. Rechtsbescherming                                                                                                                 29
      1. Samenloop Wetsvoorstel bevordering bestuurlijke kwaliteit en integriteit in het funderend onderwijs…………………………………………………………………………………………….. 30
    1. Gevolgen                                                                                                                     30
      1. Gevolgen voor de verwerking van persoonsgegevens                                                                                                                 30
      1. Gevolgen voor het doenvermogen                                                                                                                 33
      1. Gevolgen voor de regeldruk                                                                                                                 34
    1. Toezicht en handhaving                                                                                                                     38
    1. Financiële gevolgen                                                                                                                     39
    1. Evaluatie                                                                                                                     39
    1. Advies en consultatie                                                                                                                     40
    1. Overgangsrecht en inwerkingtreding                                                                                                                     40
  2. Artikelsgewijs…………………………………………………………………………………………………………… 40

I.  Algemeen

1.           Inleiding

Aan de basis van een veilige schoolomgeving staan in de eerste plaats de mensen die werkzaam zijn in de school, die dagelijks samen met leerlingen werken aan goed onderwijs, waarbinnen iedereen zich veilig en geaccepteerd weet. Veiligheid krijgt vorm binnen de schoolcultuur. Daarbij staat buiten kijf dat leerlingen beschermd dienen te worden tegen volwassenen die een risico kunnen vormen voor hun veiligheid. Een basisnorm voor het waarborgen van een veilige schoolomgeving is de Verklaring omtrent het Gedrag (hierna: VOG). Met dit wetsvoorstel beoogt de regering de veiligheid in het funderend onderwijs verder te verbeteren door:

  • continue screening in het funderend onderwijs te introduceren. Daartoe stelt de regering voor een wettelijke grondslag voor een register continue screening funderend onderwijs te introduceren waarmee gescreend kan worden op veranderingen in de justitiële documentatie van alle VOG-plichtige personen in het funderend onderwijs; en
  • de categorie van personen in het funderend onderwijs die over een VOG moeten beschikken – en op wie de continue screening dus van toepassing zal zijn – uit te breiden.

2.           Probleemanalyse

Niet iedere leerling voelt zich veilig. Een leerling kan zich veilig voelen op school als een leerling niet wordt gepest, en er een schoolklimaat heerst waar pesten wordt voorkomen en er wordt opgetreden wanneer dat wel gebeurt. En als de leerling op een school zit die zoveel als mogelijk vrij is van onrust en incidenten, en waar de school optreedt tegen en leert van onrust en incidenten. Dat vraagt om een stevig pedagogisch klimaat en actief veiligheidsbeleid van scholen. Immers, het is de schoolcultuur die bepaalt in welke mate de school veilig is. Om het veiligheidsbeleid verder te versterken heeft de regering met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs maatregelen aangekondigd om kaders te stellen waarbinnen scholen hun veiligheidsbeleid kunnen verbeteren.1 Met die maatregelen krijgen scholen beter zicht op de veiligheid, is er betere ondersteuning en begeleiding bij onveiligheid en wordt het veiligheidsbeleid jaarlijks geëvalueerd.

Indien onveiligheid jegens leerlingen voortkomt uit onveilig gedrag van onderwijspersoneel of andere met taken belaste personen heeft dit een grote impact. Daarom is het nodig bevoegde gezagen stevige instrumenten te geven om deze onveiligheid te voorkomen en waar noodzakelijk, aan te pakken. Bevoegde gezagen hebben als het gaat om de screening van personeel verschillende manieren tot hun beschikking om de veiligheid op school te bevorderen. Zo kunnen bevoegde gezagen op dit moment bijvoorbeeld screenen door het identiteitsbewijs van nieuwe medewerkers op te vragen en te controleren, originele diploma’s en cijferlijsten op te vragen, en naar referenties te vragen bij sollicitatiegesprekken. Bevoegde gezagen kunnen verder de integriteit van het personeel bevorderen door bijvoorbeeld een ‘vierogenprincipe’ te hanteren, functieroulatie in te voeren en integriteitsschendingen en de gevolgen ervan onder de aandacht te brengen van het personeel.2 Wanneer er signalen zijn van seksuele intimidatie of seksueel misbruik door een met taken belast persoon richting een leerling of student, geldt in het onderwijs de meld-, overleg- en aangifteplicht. Binnen deze mix van instrumenten is ook de VOG een belangrijk middel om onveiligheid door personeel richting leerlingen tegen te gaan. De regering constateert echter een aantal tekortkomingen in de huidige VOG-systematiek in het funderend onderwijs. Dit vormt aanleiding om het stelsel anders in te willen richten.

  • Onveiligheid in het onderwijs

Hoewel in algemene zin blijkt dat geweldsincidenten, waar ook seksueel grensoverschrijdend gedrag onder valt, het vaakst door leerlingen worden gepleegd, blijkt uit de Landelijke Veiligheidsmonitor (2022) dat een kleiner aandeel door personeelsleden wordt gepleegd, waaronder docenten. 3 Uit deze monitor blijkt dat tussen de twee en vijf procent van de leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs zich niet veilig voelt.4 Dat gaat jaarlijks om duizenden leerlingen. Ook seksueel grensoverschrijdend gedrag is een probleem in het onderwijs. Zo geeft dertien procent van de leerlingen in het primair onderwijs en zeventien procent van de leerlingen in het voortgezet onderwijs aan dat zij in 2021 te maken hebben gehad met een vorm van

1 Kamerstukken II, 2024/25, 36 777.

2 Zie voor meer informatie de brochure Screening van personeel, geraadpleegd via https://www.justis.nl/sites/default/files/2023-03/Brochure%20Screening%20van%20personeel.pdf.

3 ResearchNed (2023). Veilig op school. Landelijke Veiligheidsmonitor 2021–2022: veiligheidsbeleid en veiligheidsbeleving in het primair en voortgezet onderwijs, bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 29 240, nr. 133, p. 30.

4 ResearchNed (2023). Veilig op school. Landelijke Veiligheidsmonitor 2021–2022: veiligheidsbeleid en veiligheidsbeleving in het primair en voortgezet onderwijs, bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 29 240, nr. 133, p. 8.

seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het gaat dan om ongewenste seksuele opmerkingen, ongewenst worden betast of aangeraakt, gedwongen worden tot seksuele handelingen of het ongewenst verspreiden van seksueel getinte foto’s of filmpjes.5 Bij deze cijfers is niet bekend hoe vaak het gaat om seksueel grensoverschrijdend gedrag specifiek door personeel, maar indien dit wel het geval is, is de impact hiervan enorm. Ook uit ander onderzoek blijkt dat onderwijspersoneel soms seksueel grensoverschrijdend gedrag vertoont jegens leerlingen.6 Tot slot onderstrepen ook de cijfers van de vertrouwensinspecteurs deze conclusie. In het schooljaar 2024-2025 registreerden de vertrouwensinspecteurs in het po, so en vo 150 dossiers over (mogelijke) seksuele intimidatie door een met taken belast persoon en 92 dossiers over (mogelijk) seksueel misbruik door een met taken belast persoon.7

Hoewel het in absolute aantallen – gelukkig – een beperkt aantal leerlingen betreft, kan de impact van verschillende vormen van onveiligheid, zoals seksueel grensoverschrijdend gedrag, op individuele leerlingen groot zijn. In een beperkt deel van de gevallen gaat het om onderwijspersoneel, maar vanwege de impact die onveiligheid kan hebben op een leerling en zijn (school)omgeving is het van groot belang dat onderwijspersoneel dat potentieel een bedreiging vormt voor de veiligheid op school – zoveel als mogelijk – uit het onderwijs wordt geweerd.

  • De huidige VOG-systematiek

De VOG is een belangrijk onderdeel van het handelingsperspectief van het bevoegd gezag om op voorhand onveiligheid te voorkomen vanuit onderwijspersoneel jegens leerlingen. De VOG is een verklaring die laat zien dat het justitiële verleden van de aanvrager geen bezwaar vormt voor een bepaalde baan of functie. Vrijwel alle personen die in het onderwijs werken moeten op dit moment over een VOG beschikken. 8 Bevoegde gezagen zijn hiervoor verantwoordelijk. De VOG mag op het moment van indiensttreding niet ouder zijn dan 26 weken. Dit is een benoembaarheidsvereiste. In schooljaar 2020 – 2021 werd bij bijna 900 bevoegde gezagen (van de 1221 bevoegde gezagen in dit jaar) geconstateerd dat er één of meerdere VOG’s niet tijdig aanwezig waren. Dit betrof vaak invalleerkrachten.9

Bij de beoordeling van een VOG-aanvraag kijkt Justis, een dienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, of er strafbare feiten staan op naam van de aanvrager die een risico vormen voor de functie of het doel waarvoor de VOG wordt aangevraagd. Justis gebruikt voor de aanvraag van iedere VOG verschillende bronnen: (on)herroepelijke veroordelingen, strafbeschikkingen, transacties, sepots en openstaande zaken.10 Voor het onderwijs wordt hierbij een specifiek screeningsprofiel ‘onderwijs’ gebruikt.11 Voor werken in het primair onderwijs is ook een VOG met het screeningsprofiel ‘kinderopvang’ toegestaan.12

  • Beperkingen in de VOG-systematiek

Dit systeem heeft verschillende beperkingen. Allereerst ziet de VOG alleen op strafbare feiten ((on)herroepelijke veroordelingen, strafbeschikkingen, transacties, sepots en openstaande zaken) die hebben plaatsgevonden voordat de VOG werd aangevraagd. Dat betekent dat de VOG naarmate het dienstverband langer duurt minder waarborgen biedt

5 ResearchNed (2023). Veilig op school. Landelijke Veiligheidsmonitor 2021–2022: veiligheidsbeleid en veiligheidsbeleving in het primair en voortgezet onderwijs, bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 29 240, nr. 133, p. 26.

6 Beke (2020). Seksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs, bijlage bij Kamerstukken II, 2020/21, 35 570, nr. 91, p. 43.

7 Dossiers vertrouwensinspecteurs in het onderwijs 2024-2025, bijlage bij Kamerstukken II 2025-2026, 29240, nr. 178.

8 Voor het primair onderwijs en het (V)SO zie artikel 3, lid 1, onder a, artikel 3a, lid 1, onder a, artikel 32, lid 2, onder a, sub 1, lid 6, lid 7 en lid 9, artikel 34a en artikel 45 van de WPO, artikel 3, lid 1, onder a, artikel 3a, lid 1, onder a en artikel 32, lid 2, onder a, sub 1, en lid 9, van de WEC: Voor het voortgezet onderwijs zie artikel 7.3, lid 1, van de WVO 2020. Voor medewerkers van de tussenschoolse opvang geldt dat hun VOG bij aanvang niet ouder dan twee maanden mag zijn.

9 De Staat van het Onderwijs (2023), bijlage bij Kamerstukken II, 2022/23, 36 200-VIII-221, p. 34.

10 De inhoud waarop gescreend wordt verandert met de invoering van de voorgestelde continue screening niet. Enkel de frequentie van de screening wijzigt.

11 Screeningsprofiel 60. Zie https://justis.nl/producten/verklaring-omtrent-het-gedrag/vog-voor-werkgevers-en-organisaties/screeningsprofielen#onderwijs. Voor misdrijven geldt een terugkijktermijn van vier jaar, behalve daar waar het seksuele en terroristische misdrijven betreft. Hiervoor is de terugkijktermijn onbeperkt.

12 Kamerstukken II 2023/24, 27 923, nr. 491.

voor de veiligheid, omdat strafbare feiten die hebben plaatsgevonden nadat de VOG is verleend niet aan het licht komen. Dat zorgt ervoor dat een VOG na verloop van tijd steeds minder zeggingskracht heeft, en daarmee aan waarde inboet. De VOG is een momentopname. Alleen op het moment dat een personeelslid overstapt naar een ander bevoegd gezag is een nieuwe VOG vereist.

ResearchNed heeft in 2020 en 2023 onderzoek gedaan naar seksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs en de werking van de huidige VOG-systematiek in het onderwijs.13 Uit het onderzoek bleek dat de VOG in het huidige systeem “geen betekenis [heeft] in preventieve zin als het gaat om het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Men weet alleen bij het aannemen van personeel dat een persoon geen voor de functie relevant strafblad heeft.”14 Ook in het onderzoek uit 2023 constateerde ResearchNed dat het niet volstaat om eenmalig een VOG op te vragen wanneer een personeelslid wordt aangenomen.15 Dit ondersteunt de overtuiging van de regering dat het eenmalig moeten overleggen van een VOG te weinig langdurige waarborgen biedt voor de veiligheid van leerlingen.

Een tweede beperking van de huidige toepassing van de VOG is dat een VOG-aanvraag niet verplicht is voor iedereen die in het onderwijs met minderjarigen werkt. Zo hoeven stagiairs nog niet altijd een VOG te hebben. Dat heeft tot gevolg dat niet iedereen die duurzaam verbonden is aan een school, gescreend wordt.

Een derde beperking is dat er op dit moment na 26 weken een nieuwe VOG moet worden aangevraagd als iemand aan de slag gaat bij een nieuw bevoegd gezag. Deze verplichting brengt de nodige administratieve lasten met zich mee, zowel voor bevoegde gezagen als voor de personen zelf. Daarnaast is het niet altijd mogelijk om tijdig een VOG te krijgen. Dit is met name een probleem voor invalleerkrachten. Een VOG-aanvraag kan enkele dagen tot acht weken duren. Invalleerkrachten moeten echter vaak eerder worden ingezet. Regelmatig kiezen bevoegde gezagen er dan voor om een invalleerkracht zonder geldige VOG voor de klas te zetten. Dit is een overtreding van de wettelijke plicht. De inspectie heeft geconstateerd dat in 2023 in 135 gevallen geen VOG aanwezig was. In 702 gevallen was een VOG niet tijdig aanwezig.

Een vierde beperking doet zich voor bij integrale kindcentra (IKC’s), waar wordt samengewerkt door scholen in het primair onderwijs en kinderopvangorganisaties. Het po-personeel dat werkzaam is op een school voor primair onderwijs op IKC’s moet zich inschrijven in het personenregister kinderopvang als het structureel (minimaal eens per drie maanden een half uur) in contact komt met kinderen uit de kinderopvang. Als zich echter een signaal voordoet over een personeelslid uit het primair onderwijs, wordt alleen de houder van de kinderopvangorganisatie daarover geïnformeerd. De houder krijgt hierbij opdracht om de persoon op non-actief te stellen. Het bevoegd gezag van de school wordt echter niet geïnformeerd, terwijl zij verantwoordelijk is voor het nemen van arbeidsrechtelijke maatregelen.

Tot slot kent ook het toezicht op het VOG-stelsel enkele tekortkomingen. Besturen verantwoorden zich op grond van de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs over de (tijdige) aanwezigheid van de VOG.16 De controle daarop wordt vrijwillig uitgevoerd door de accountant, op basis van een verzoek door het schoolbestuur.17 De inspectie gebruikt deze rapportage van de accountant om toezicht uit te oefenen. Dit is te vrijblijvend: er vindt dan immers alleen toezicht plaats als er een accountantscontrole is uitgevoerd.

13 Beke (2020). Seksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs, bijlage bij Kamerstukken II, 2020/21, 35 570, nr. 91 en Beke (2023). Seksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs, bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 29 240, nr. 133.

14 Beke (2020). Seksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs, bijlage bij Kamerstukken II, 2020/21, 35 570, nr. 91, p. 77.

15 Beke (2023). Seksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs, bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 29 240, nr. 133, p. 61.

16 Artikel 4, zevende lid en bijlage 6 van de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs: https://wetten.overheid.nl/BWBR0023132/2025-04-09.

17 https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/publicaties/2024/12/20/onderwijsaccountantsprotocol-ocw-2024.

Daarnaast vindt toezicht altijd achteraf plaats, bij de controle van de jaarrekening. Hierdoor zit er veelal zeer veel tijd tussen eventuele niet (tijdig) aanwezige VOG’s en eventuele correcties vanuit het toezicht.

  • Toezegging minister en motie Kisteman

Naar aanleiding van een Kamerdebat over veiligheid in het funderend onderwijs heeft de toenmalige minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs de Tweede Kamer toegezegd om een verkenning uit te voeren naar continue screening van VOG-plichtige personen.18 De Tweede Kamer heeft met de aangenomen motie van het lid Kisteman (VVD) verzocht om in deze verkenning het zogenoemde aanvullend onderwijs mee te nemen.19, 20 In de Kamerbrief ‘Voortgang maatregelen vrij en veilig onderwijs’ heeft de toenmalig staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangegeven continue screening te willen invoeren in het funderend onderwijs.21 Dit wetsvoorstel vloeit daaruit voort.

3.  Kern van het voorstel

De regering stelt voor om over te gaan tot het invoeren van continue screening in het funderend onderwijs. Dit wetsvoorstel legt daartoe een grondslag voor een register continue screening funderend onderwijs, ten behoeve van de continue screening

van alle personen die werkzaamheden verrichten in het funderend onderwijs. Met het oog op dat laatste worden ook de categorieën uitgebreid van personen in het funderend onderwijs waarop de VOG-screening van toepassing is.

Het doel van het voorstel is om de veiligheid van leerlingen op school beter te waarborgen door ervoor te zorgen dat relevante antecedenten van personeelsleden altijd worden betrokken bij de vraag of iemand mag (blijven) werken in het onderwijs. Dit draagt eveneens bij aan de veiligheid van andere personeelsleden. Dit doel valt uiteen in deze onderdelen:

  1. Relevante strafbare feiten worden ook gedurende een dienstverband altijd betrokken bij de vraag of iemand in het onderwijs mag (blijven) werken.
  2. Het is voor iedereen die duurzaam verbonden is aan een school altijd mogelijk om tijdig een VOG te overleggen.
  3. Er is effectief toezicht op het bevoegd gezag bij het voldoen aan de VOG-verplichting;
  4. De structurele administratielast die bij de VOG-verplichting komt kijken wordt minder.

Daartoe stelt de regering de volgende maatregelen voor:

  1. De introductie van continue screening in het funderend onderwijs en van het register continue screening funderend onderwijs;
    1. De uitbreiding van de reikwijdte van VOG-screening in het onderwijs.

Afbakening vervolgonderwijs

De regering stelt voor om continue screening alleen in te voeren in het funderend onderwijs. De regering acht het op dit moment niet proportioneel om continue screening ook in te voeren in het vervolgonderwijs. Dat volgt uit het feit dat in het mbo, hbo en wo een beperkt deel van de studenten minderjarig is, en dat deze minderjarigen niet jonger zijn dan vijftien jaar. Daarin verschillen ze van leerlingen in het voortgezet onderwijs, waar de jongste leerlingen elf jaar oud zijn. Leeftijd is in dezen een relevant criterium om onderscheid op te maken aangezien in algemene zin gesteld kan worden dat hoe jonger de minderjarige is, hoe kwetsbaarder. Jonge kinderen begrijpen in mindere mate wat hen overkomt en in hoeverre dat grensoverschrijdend is. Zeker waar het seksueel grensoverschrijdend gedrag betreft draagt dat bij aan de specifieke kwetsbaarheid van

18 Kamerstukken II 2022/23, 27 923, nr. 450.

19 Onder het aanvullend onderwijs valt al het personeel dat werkzaam is als of voor een particuliere onderwijsaanbieder; en werkzaamheden verricht die een bijdrage leveren aan het onderwijsleerproces en die plaatsvinden in het schoolgebouw tijdens of aansluitend op de onderwijstijd; of onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.

20 Kamerstukken II 2023/24, 36 479, nr. 11.

21 Kamerstukken II 2024/25, 29 240, nr. 176.

jonge kinderen.22 Daar komt bij dat er een grotere afhankelijkheid bestaat ten opzichte van volwassenen bij jonge kinderen.

  • Introductie continue screening en het register

Om de beoogde doelgroepen in het funderend onderwijs continu te screenen is een register nodig waarin alle personen worden opgenomen die gescreend moeten worden. Daarom stelt de regering met dit wetsvoorstel voor om een grondslag te introduceren voor een register continue screening funderend onderwijs. Aan dit register worden wettelijke eisen gesteld. Het doel van het register is om de veiligheid van leerlingen op school beter te waarborgen. Dit draagt eveneens bij aan de veiligheid van andere aan de school verbonden personen. Dit gebeurt doordat alle personen die in het register worden ingeschreven, continu worden gescreend op veranderingen in de justitiële documentatie. Het register kan niet voor andere doeleinden worden gebruikt.

Het register is gekoppeld aan het justitieel documentatiesysteem (JDS). Dit systeem wordt beheerd door de Justitiële Informatie Dienst (Justid). Justid maakt zeer regelmatig een extractie van alle personen met een mutatie in het JDS. Deze extractie zet Justid in een beveiligde omgeving waar deze dataset samenkomt met een extractie van de personen uit het register. Wanneer er een match is, stuurt Justid een notificatie naar Justis. Justis beoordeelt vervolgens op basis van de informatie uit het JDS of er risico’s zijn voor de uitoefening van de functie door de betreffende persoon. Wanneer daarvan sprake is, informeert Justis de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap daarover met een signaalbrief.23 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zal op basis daarvan tot de beoordeling komen dat er een vermoeden is dat de betreffende persoon niet langer voldoet aan de vereisten voor afgifte van de VOG. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is beheerder van het register en kan daarin inzien aan welke bevoegde gezagen de betreffende persoon gekoppeld is. In de praktijk worden deze werkzaamheden uitgevoerd door DUO. DUO stelt, eveneens namens de minister, het bevoegd gezag en de betrokkene zelf ervan in kennis dat de persoon per direct geen werkzaamheden mag verrichten voor de school en dat voor diegene een nieuwe VOG moet worden aangevraagd. Als die niet wordt verstrekt, moet het bevoegd gezag de samenwerking met deze persoon beëindigen. De inspectie houdt daar toezicht op. Als de nieuwe VOG wel wordt verstrekt kunnen de werkzaamheden worden hervat.

  • Effectiviteit instrument

De regering verwacht dat met de invoering van continue screening personen die een risico kunnen vormen voor de veiligheid op school, beter uit het onderwijs geweerd kunnen worden. Ter onderbouwing hiervan wijst de regering op het systeem van continue screening in de kinderopvangsector. In de periode 2020-2025 heeft Justis in die sector per jaar gemiddeld zo’n 60 signaalbrieven aan DUO gestuurd.24 De personen wie dit betreft moeten een nieuwe VOG aanvragen. Hoewel het lastig is om op basis hiervan een precieze inschatting te maken, verwacht de regering ook in het funderend onderwijs een substantieel aantal signalen per jaar. Hierbij speelt ook de schaalgrootte mee. In het personenregister kinderopvang zijn ongeveer 300.000 mensen ingeschreven. Voor het register voor het funderend onderwijs wordt uitgegaan van zo’n 650.000 personen.

Een ander voordeel van continue screening is dat personen niet meer bij iedere overstap naar een nieuw bevoegd gezag een nieuwe VOG hoeven aan te vragen. Zodra iemand is ingeschreven in het register wordt deze persoon gescreend, en hoeft er alleen een koppeling te worden gemaakt als hij/zij wordt ingezet bij een nieuw bevoegd gezag. Dit zorgt voor een verlichting van de administratieve lasten voor onderwijspersoneel en

22 Dit vormt als zodanig ook het uitgangspunt binnen de zedenwetgeving, waarbij er onderscheid wordt gemaakt naar verschillende leeftijdscategorieën als het gaat om de strafbaarheid van verschillende gedragingen.

23 Het kunnen verstrekken van deze gegevens door Justis vraagt aanpassing van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens. De regering is voornemens deze aanpassing door te voeren.

24 Dit aantal is berekend op basis van de kwartaalcijfers die Justis publiceert over de VOG NP, VOG voor vrijwilligers en VOG P. Deze cijfers zijn geraadpleegd op https://www.justis.nl/producten/verklaring-omtrent-het-gedrag/kwartaalcijfers-2025-vog-np-vog-voor-vrijwilligers-en-vog-p.

bevoegde gezagen en zorgt er ook voor dat bijvoorbeeld invalleerkrachten sneller inzetbaar zijn.

Daarnaast wordt met continue screening in het funderend onderwijs het probleem opgelost dat alleen de houder van de kinderopvangorganisatie wordt geïnformeerd over signalen omtrent po-personeelsleden op een IKC. Als continue screening in het funderend onderwijs wordt ingevoerd, wordt immers ook het bevoegd gezag van de po-school geïnformeerd.

Tot slot biedt continue screening mogelijkheden om het toezicht op de screening effectiever in te richten. De inspectie kan namelijk direct het register inzien. Daardoor kan zij zonder tussenkomst van de accountantscontrole achterhalen of iedereen die gescreend zou moeten worden, gescreend wordt. Dit biedt drie voordelen. Ten eerste is het toezicht niet langer afhankelijk van de accountantscontrole op de aanwezigheid van VOG’s, die niet altijd wordt uitgevoerd omdat die vrijwillig is. Ten tweede vindt het toezicht niet langer achteraf plaats. Doordat de inspectie toegang heeft tot het register beschikt zij altijd over een actueel beeld van wie er op een school allemaal gescreend worden. Ten derde is er sprake van een administratieve lastenverlichting voor het bevoegd gezag, dat in het bestuursverslag niet meer over de VOG-verplichting hoeft te rapporteren.

  • Procesinrichting

Bij de inrichting van de keten kiest de regering ervoor om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de werkwijze in de sector kinderopvang. Ook in die sector verzorgen Justis en Justid de screening met behulp van het JDS. Bovendien is DUO ook in die sector beheerder van het personenregister kinderopvang. Omdat deze partijen al de nodige ervaring hebben met continue screening in de kinderopvang, wil de regering deze werkwijze zoveel mogelijk overnemen. Op een aantal punten wijkt de regering bij de inrichting van het proces af van de werkwijze in de kinderopvang, omdat uit gesprekken met uitvoeringsorganisaties blijkt dat andere keuzes in de context van het onderwijs beter passen.

Inschrijving in het register

De regering stelt voor dat personen zich via DigiD inschrijven in het register. Hiertoe dienen identificerende gegevens te worden verstrekt, waaronder in ieder geval het burgerservicenummer. Het gaat daarbij om de gegevens die nodig zijn om de inschrijving te koppelen aan een persoon. Voor personen die geen DigiD kunnen gebruiken komt er een alternatieve manier om zich in te schrijven. Bij algemene maatregel van bestuur wordt voorgeschreven welke overige gegevens personen dienen te verstrekken om zich in het register te kunnen inschrijven. Nadat een persoon zich heeft ingeschreven in het register, moet diegene een VOG aanvragen. De regering kiest voor deze volgorde, zodat er geen hiaat kan ontstaan in de screening tussen het moment van de initiële VOG-aanvraag en het moment dat de continue screening aanvangt. Het kenmerk van de VOG moet binnen vier maanden na inschrijving in het register worden ingevoerd. Aanleiding voor de keuze voor deze termijn is dat een VOG-aanvraag in uitzonderlijke gevallen langer kan duren dan acht weken. De termijn van vier maanden maakt het mogelijk om ook in dergelijke uitzonderingssituaties het kenmerk van de VOG nog tijdig in te kunnen voeren.

Koppeling en ontkoppeling

Personen zijn pas toelaatbaar in hun functie wanneer ze zijn gekoppeld aan het bevoegd gezag waarvoor ze werken. Wanneer een persoon is ingeschreven en het kenmerk van de VOG heeft ingevoerd, zijn koppelingen mogelijk. Een koppeling houdt in dat in het register wordt geregistreerd dat een persoon bij een bepaald bevoegd gezag werkt. Dit is nodig omdat het bevoegd gezag geïnformeerd moet worden als er een kennisgeving is over een aan een school van het bevoegd gezag verbonden persoon. Het bevoegd gezag doet een verzoek tot koppeling in het register. Wanneer de persoon dit verzoek

vervolgens accepteert wordt de koppeling gelegd. Vanaf dat moment – dus na inschrijving in het register, verstrekking van het kenmerk van de VOG en de koppeling – kan de persoon aan het werk. Enkel indien de persoon die is ingeschreven nog geen kenmerk van een VOG heeft ingediend, zoals hierboven weergegeven, of als er eerder een melding – daar wordt later op ingegaan – over een persoon is geweest, wordt de koppeling niet aangemaakt. In die gevallen staat immers niet vast dat de persoon voldoet aan de voorwaarden voor een VOG, dus kan diegene ook niet gekoppeld worden.

Als een persoon niet meer werkzaam is bij een bevoegd gezag kan deze zichzelf ontkoppelen. Het bevoegd gezag ontvangt daarvan een melding. Deze werkwijze geldt ook andersom: het bevoegd gezag kan ook de persoon ontkoppelen, waarvan de persoon een melding ontvangt. In beide gevallen is de ontkoppeling na twee weken definitief. Ook op dit punt wijkt de regering af van de werkwijze in de kinderopvang, waar alleen de houder van kinderopvangorganisatie personen kan ontkoppelen. In de praktijk blijkt dat houders dit niet altijd doen, waardoor personen gekoppeld blijven aan houders waarbij ze niet meer werken, wonen, of structureel aanwezig zijn. Vanuit privacyrechtelijk perspectief is het onwenselijk als houders onterecht een kennisgeving ontvangen over personen die reeds ontkoppeld hadden moeten zijn. Door zowel personen als het bevoegd gezag de mogelijkheid te geven om te ontkoppelen, wil de regering ervoor zorgen dat er zo min mogelijk onnodige koppelingen in het register zijn opgenomen. Daartoe is eveneens in het wetsvoorstel opgenomen dat DUO eenmaal per jaar aan zowel de ingeschrevene als het bevoegd gezag een overzicht verstrekt van de koppelingen. Daarmee wordt een logisch moment geboden om te controleren of alle koppelingen nog actueel en nodig zijn.

Mutaties JDS en aanvragen nieuwe VOG

Op het moment dat er een mutatie plaatsvindt in het JDS van een persoon uit het register geeft Justid, de beheerder van het JDS, dit door aan screeningsautoriteit Justis. Justis beoordeelt de signalen van Justid aan de hand van een beoordelingskader dat is gelijkgesteld met reguliere VOG-aanvragen. Dit kader gaat uit van een objectief criterium en een subjectief criterium.25 Wanneer Justis op basis van deze beoordeling tot het voorlopige oordeel komt dat er een belemmering is voor een behoorlijke uitoefening van de functie, informeert Justis DUO daarover. DUO schorst dan de inschrijving van de persoon in het register. Vervolgens stelt DUO het gekoppelde bevoegd gezag of de gekoppelde bevoegde gezagen in kennis van de melding. Dit gaat via een urgent bericht aan het schoolbestuur. In dit bericht wordt het bevoegd gezag geïnformeerd dat het verplicht is om de werkzaamheden van de betreffende persoon te stoppen. Het bevoegd gezag doet dit zo snel als mogelijk, redelijkerwijs dient dit in ieder geval diezelfde dag nog te gebeuren. Tegelijkertijd informeert DUO de inspectie, die contact opneemt met het bevoegd gezag. Tot slot informeert DUO de persoon zelf. De persoon kan ervoor kiezen om een nieuwe VOG aan te vragen. Wanneer de nieuwe VOG niet verleend wordt, of als de persoon geen nieuwe VOG aanvraagt kan de betrokkene geen werkzaamheden meer verrichten in het funderend onderwijs. Wanneer de nieuwe VOG wel wordt verleend en wanneer de persoon het kenmerk van de VOG heeft geüpload in het register, heft DUO de schorsing op. DUO meldt dit aan de ingeschrevene en het bevoegd gezag.

De impact van een signaal kan zeer groot zijn, voor alle betrokkenen. Niet in de laatste plaats voor de ingeschreven persoon. Het is van belang dat het bevoegd gezag hier zorgvuldig mee omgaat. Het ministerie van OCW ontwikkelt een handleiding over continue screening in het funderend onderwijs, met aandacht hiervoor.

Beëindiging van de inschrijving

Er is een aantal manieren waarop de inschrijving van de persoon in het register kan worden beëindigd. Ten eerste eindigt de inschrijving wanneer de persoon vier maanden na inschrijving nog geen kenmerk van een geldige VOG heeft ingevoerd in het register.

25 Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.

Voorgesteld wordt immers dat dit binnen vier maanden na inschrijving moet gebeuren. Ten tweede eindigt de inschrijving als een persoon vier maanden lang aan geen enkel bevoegd gezag is gekoppeld. Zo wordt voorkomen dat er personen worden gescreend die niet meer in het funderend onderwijs werken. Deze periode kan eenmalig met negen maanden worden verlengd, als iemand door omstandigheden verwacht langer dan vier maanden niet bij een bevoegd gezag actief te zijn. Ten derde wordt de inschrijving beëindigd als er een melding is geweest over een persoon en de persoon vier maanden na de melding nog geen kenmerk van een geldige VOG heeft ingevoerd in het register. Zo wordt gewaarborgd dat personen die na een melding geen nieuwe VOG kunnen overleggen, tijdig worden uitgeschreven. Ten vierde kan een persoon ook zelf een verzoek indienen tot beëindiging van de inschrijving. Voorwaarde hiervoor is dat de persoon aan geen enkel bevoegd gezag meer is gekoppeld. Ten vijfde wordt de inschrijving binnen twee weken beëindigd als de persoon is overleden.

  • Overwogen alternatieven

Als alternatief voor de voorgestelde invoering van continue screening en introductie van een register continue screening funderend onderwijs heeft de regering overwogen om over te gaan op periodieke screening. Bij dit systeem wordt geregeld dat VOG-plichtigen periodiek (bijvoorbeeld iedere twee jaar) een nieuwe VOG moeten aanvragen.

In deze systematiek is het aan het bevoegd gezag om voor alle VOG-plichtigen bij te houden hoe oud hun VOG is. Na een bepaalde periode zal het bevoegd gezag de werknemer moeten vragen om een nieuwe VOG aan te vragen en te overleggen aan het bevoegd gezag. Op het moment dat een werknemer ervoor kiest om geen nieuwe VOG aan te vragen, dan wel een nieuwe VOG aanvraagt maar deze niet krijgt, voldoet de werknemer in kwestie niet langer aan de benoembaarheidsvereisten en kan deze niet langer voor de onderwijsinstelling werken. Ook hiermee komen relevante strafbare feiten sneller aan het licht dan in de huidige systematiek. Er is geen register noodzakelijk. Dat maakt dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen minder wordt beperkt.

De regering verkiest desalniettemin continue screening boven periodieke screening, omdat veranderingen in de justitiële documentatie sneller aan het licht komen bij continue screening dan bij periodieke screening. Relevante strafbare feiten zullen bij periodieke screening immers meestal pas aan het licht komen bij een nieuwe VOG-aanvraag, na een periode van drie of vijf jaar.26 Dat betekent alsnog dat er een aanzienlijke periode kan zitten tussen een verandering in de justitiële documentatie en een nieuwe VOG-aanvraag. Met alle mogelijke risico’s voor leerlingen die dit heeft. De regering weegt die risico’s zeer zwaar, zeker gezien het belang van een veilige schoolomgeving voor leerlingen. Overigens zou periodieke screening ook een aanzienlijke verzwaring van de administratieve lasten met zich meebrengen voor zowel bevoegde gezagen als VOG-plichtigen. Bevoegde gezagen zouden dan immers moeten bijhouden wie er over een geldige VOG beschikt en wanneer medewerkers een nieuwe VOG moeten aanvragen. Het feit dat er periodiek voor alle medewerkers nieuwe VOG’s moeten worden aangevraagd brengt bovendien hogere kosten met zich mee (€ 33,85 per persoon, prijspeil 2025) en regeldrukkosten voor bevoegde gezagen en werknemers. Tot slot zou periodieke screening een aantal van de gesignaleerde beperkingen in de VOG-systematiek niet oplossen. Dit geldt voor het probleem dat het voor invalleerkrachten niet altijd mogelijk is om tijdig een VOG te krijgen, de tekortkomingen in het toezicht en de discrepantie die zich kan voordoen op IKC’s.

  • Uitbreiding van de reikwijdte van de VOG-screening in het onderwijs

26 In de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is een grondslag opgenomen voor het College van procureurs-generaal om – indien er sprake is van een zwaarwegend algemeen belang – strafvorderlijke gegevens aan derden te verstrekken. Het zwaarwegend algemeen belang kan met zich meebrengen dat een officier van justitie gedurende een lopend onderzoek tegen een leraar die wordt verdacht van het plegen van ontuchtige handelingen met minderjarigen, de leiding van de school waar de betrokken leraar werkzaam is, van dit gegeven op de hoogte stelt. Het betreft hier de ernstige strafbare feiten waarbij er direct sprake is van gevaar voor betrokkenen.

Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk reeds aan de orde is gekomen, stelt de regering zich tot doel dat iedereen die duurzaam verbonden is aan een school, altijd tijdig over een VOG kan beschikken. Dat is op dit moment nog niet het geval. Daarom stelt de regering met dit wetsvoorstel voor om de categorieën van personen die in het onderwijs meegenomen moeten worden in de VOG-screening uit te breiden.

Toegevoegde categorieën personen

Op dit moment moeten de volgende personen in het funderend onderwijs beschikken over een geldige VOG:

  • leerkrachten;
  • (adjunct-)directieleden en (con-)rectoren;
  • onderwijsondersteunende functionarissen;
  • externe leerkrachten (bijvoorbeeld gedetacheerd of werkzaam via een uitzendbureau);
  • externe onderwijsondersteunende functionarissen (bijvoorbeeld schoonmakers);
  • leerkrachten in opleiding (LIO’s) en onderwijsassistenten in opleiding, die met

een leerarbeidsovereenkomst als werknemer zijn benoemd;

  • overblijfmedewerkers (TSO, primair onderwijs), onder wie ook vrijwilligers;
  • medewerkers werkzaam als of voor een particuliere onderwijsaanbieder die werkzaamheden verrichten in het schoolgebouw tijdens of aansluitend op de onderwijstijd en die onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag worden uitgevoerd.

De regering constateert dat hiermee niet iedereen die duurzaam verbonden is aan een school in het bezit moet zijn van een geldige VOG. Daarom stelt de regering voor om continue screening te verplichten voor de volgende doelgroepen:

  • al het schoolpersoneel dat in dienst is van het bevoegd gezag, inclusief het

personeel dat is tewerkgesteld zonder benoeming, zoals zzp’ers;

  • de leden van het bestuur en intern toezicht van een school of samenwerkingsverband;27
  • stagiairs;
  • personen die werkzaam zijn als of voor een particuliere onderwijsaanbieder en in het schoolgebouw werkzaamheden verrichten tijdens of aansluitend op de onderwijstijd;
  • iedereen die onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag structureel werkzaamheden verricht ten behoeve van de school en daarbij zonder toezicht van een andere gekoppelde in aanraking komt met leerlingen, zoals bepaalde vrijwilligers die ten behoeve van de school dit onderwijs aanbieden, hier kunnen ook particuliere onderwijsaanbieders onder vallen die het onderwijs niet in het schoolgebouw verzorgen.

Voor de categorieën personen die ook nu al een VOG-plicht hebben geldt dat de meeste categorieën continu zullen worden gescreend. Uitzonderingen hierop worden in paragraaf 3.2.2. uiteengezet.

Hieronder wordt toegelicht waarom de regering het noodzakelijk acht om deze categorieën personen continu te screenen.

  • Reikwijdte continue screening

Bij de bepaling van de voorgestelde reikwijdte van continue screening redeneert de regering dat iedereen die duurzaam aan een school verbonden is, continu gescreend zou moeten worden. De regering is namelijk van mening dat voor deze categorieën personen

27 Op dit moment is er nog geen VOG-plicht voor bestuurders en intern toezichthouders van scholen en samenwerkingsverbanden. In het Wetsvoorstel bevordering bestuurlijke kwaliteit en integriteit in het funderend onderwijs wordt wel voorgesteld dat elke bestuurder of intern toezichthouder van een school of samenwerkingsverband over een VOG dient te beschikken om benoembaar te zijn. Aanvullend daarop wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld om deze categorieën personen ook continu te screenen.

een eenmalige VOG-plicht onvoldoende waarborgen biedt voor de veiligheid. Dit geldt ten eerste voor alle personeelsleden, inclusief personeel dat is tewerkgesteld zonder benoeming. De regering oordeelt dat alle personeelsleden duurzaam aan een school zijn verbonden en dus continu gescreend zouden moeten worden. Voor bestuurders en intern toezichthouders wordt reeds een VOG-plicht voorgesteld in het Wetsvoorstel bevordering bestuurlijke kwaliteit en integriteit in het funderend onderwijs. In dit wetsvoorstel stelt de regering voor dat zij ook continu gescreend moeten worden. Bestuurders en intern toezichthouders zijn immers net als het personeel duurzaam verbonden aan een school. Daarnaast hebben zij een voorbeeldfunctie tegenover het personeel. Verder stelt de regering continue screening voor van stagiairs en particuliere onderwijsaanbieders die van het gebouw van de school gebruikmaken om bijlesonderwijs te geven, omdat deze personen net als het personeel duurzaam aan een school verbonden zijn.

Ook personen die niet duurzaam aan de school verbonden zijn kunnen een risico vormen voor leerlingen. Zeker wanneer zij zonder toezicht van anderen en op structurele basis werkzaamheden verrichten. Daarom stelt de regering voor om alle personen die onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag structureel werkzaamheden verrichten ten behoeve van de school en daarbij zonder toezicht van een andere gekoppelde in aanraking komen met leerlingen, continu te screenen. Hierbij kan gedacht worden aan gastdocenten die een lessenreeks aanbieden, jongerenwerkers, coaches, jeugdartsen, externe surveillanten en vrijwilligers. De regering oordeelt namelijk dat het risico op onveiligheid bij personen die structureel werkzaamheden verrichten op school zonder toezicht van een andere gekoppelde, even groot is als bij de andere categorieën.

De termen ‘structureel’ en ‘zonder toezicht van een andere gekoppelde’ vergen enige uitleg. ‘Structureel’ wil zeggen dat de werkzaamheden tot op zekere hoogte voorzienbaar zijn en ziet minder op de daadwerkelijke frequentie. Dat is bijvoorbeeld het geval als is afgesproken dat iemand elke week op de school aanwezig is, maar ook als iemand elk kwartaal een specifieke activiteit verricht en weet dat dit elke drie maanden zal gebeuren. Als een persoon achteraf gezien in een bepaalde periode meerdere keren incidenteel op de school aanwezig is geweest, bijvoorbeeld een keer om te luizenpluizen, daarna het schoolreisje te begeleiden en te assisteren bij het kerstdiner, is er geen sprake van ‘structureel’. ‘Zonder toezicht van een andere gekoppelde in aanraking komen met leerlingen’ wil zeggen dat de werkzaamheden buiten het zicht plaatsvinden van personen die continu gescreend worden, bijvoorbeeld buiten het zicht van het personeel. Met deze criteria wil de regering waarborgen dat personen die regelmatig zonder toezicht alleen zijn met leerlingen, gescreend worden. Tegelijkertijd wil zij hiermee voorkomen dat er een drempel ontstaat om functionarissen in te zetten die van meerwaarde kunnen zijn voor de school, maar niet duurzaam aan de school verbonden zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vrijwilligers. Met name in het primair onderwijs wordt veel met vrijwilligers gewerkt. Dit gaat veelal om ouders en soms ook grootouders. Deze vrijwilligers zijn belangrijk voor scholen en bevorderen daarnaast de ouderbetrokkenheid. De regering waardeert deze vorm van betrokkenheid. Met de voorgestelde criteria wil de regering voorzien in een passend screeningsregime voor vrijwilligers. Continue screening is bijvoorbeeld verplicht als een vrijwilliger op structurele basis met een groepje kinderen gaat lezen in een apart lokaal of op de gang. Het is niet verplicht als vrijwilligers in de klas in het bijzijn van de leraar ergens bij komen ondersteunen, bijvoorbeeld bij een knutselactiviteit. En ook niet als ze eenmalig een groepje kinderen begeleiden op een schooluitje. In het eerste geval is er immers toezicht door een personeelslid. In het tweede geval is sprake van een incidentele activiteit. Pas als aan beide criteria wordt voldaan, moeten personen continu gescreend worden.

  • Personen voor wie reeds een VOG-plicht geldt

Bij het bepalen van de reikwijdte van de continue screening heeft de regering zich gebaseerd op twee uitgangspunten. Ten eerste het uitgangspunt dat iedereen die duurzaam verbonden is aan een school, tijdig over een VOG moet kunnen beschikken.

Ten tweede het in paragraaf 3.1 toegelichte uitgangspunt dat relevante strafbare feiten ook gedurende de werkzaamheden altijd betrokken moeten worden bij de vraag of iemand in het onderwijs kan (blijven) werken. De regering oordeelt dat in beginsel alle personen voor wie reeds een VOG-plicht geldt, duurzaam verbonden zijn aan het onderwijs, en dat in elk geval deze personen dus zouden moeten worden gescreend.

Daarnaast ziet de regering ten aanzien van deze personen in beginsel geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat relevante strafbare feiten ook gedurende een dienstverband moeten worden betrokken bij de vraag of iemand in het onderwijs mag (blijven) werken. De regering oordeelt namelijk dat voor deze personen het eenmalig overleggen van een VOG te weinig waarborgen biedt voor de veiligheid van leerlingen. Voor deze groepen geldt immers dat ze duurzaam verbonden zijn aan een school en dus in contact komen met leerlingen.

De regering stelt twee uitzonderingen voor op de regel dat eenieder die nu over een VOG moet beschikken in de nieuwe situatie continu gescreend moet worden.

Ten eerste betreft het de personen die een nieuwe school willen stichten. Bestuurders en intern toezichthouders van een nieuw te stichten school moeten daarbij ook nu al een VOG overleggen.28 Die plicht wordt behouden. De regering ziet echter geen aanleiding om deze personen ook continu te screenen, omdat er gedurende het stichten van een school nog geen onderwijs plaatsvindt en er dus nog geen contact is met leerlingen. Als de school eenmaal gestart is en het onderwijs aanvangt, moeten deze personen als bestuurders en intern toezichthouders van de school continu worden gescreend.

Een tweede uitzondering betreft de overblijfouders, die momenteel een aparte VOG-plicht kennen. Voorgesteld wordt om overblijfouders gelijk te trekken met andere vrijwilligers. Dit leidt er in enkele gevallen toe dat zij niet continue gescreend hoeven te worden. Voorgesteld wordt om de specifieke VOG-plicht voor overblijfouders in het primair onderwijs te laten vervallen. In plaats daarvan vallen overblijfouders, net als bijvoorbeeld (andere) vrijwilligers, in dit wetsvoorstel onder de bepaling ‘structureel’ en ‘zonder toezicht van een andere gekoppelde’. Wanneer deze criteria opgaan voor een overblijfouder – wat in de meeste gevallen zo zal zijn – dienen zij gekoppeld te zijn aan het bevoegd gezag waarvoor zij werkzaam zijn en continu gescreend te worden. Indien dit niet zo is – dus als een overblijfouder incidenteel een keer komt ondersteunen, of als er toezicht is door een andere gekoppelde, is er geen VOG-plicht.

Iets soortgelijks geldt voor particuliere onderwijsaanbieders wier werkzaamheden niet in het schoolgebouw plaatsvinden maar wel onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Zoals toegelicht in paragraaf 3.2. is continue screening in dit wetsvoorstel verplicht voor personen die werkzaam zijn als of voor een particuliere onderwijsaanbieder en in het schoolgebouw werkzaamheden verrichten tijdens of aansluitend op de onderwijstijd. Als particuliere onderwijsaanbieders werkzaamheden verrichten die niet in het schoolgebouw plaatsvinden maar wel onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, dient beoordeeld te worden of zij net als bijvoorbeeld vrijwilligers onder de bepaling ‘structureel’ en ‘zonder toezicht van een andere gekoppelde’ vallen. Met andere woorden: (medewerkers van) particulier onderwijsaanbieders die buiten het schoolgebouw werkzaamheden verrichten onder verantwoordelijk van het bevoegd gezag, moeten continu gescreend worden als deze werkzaamheden structureel zijn en zonder toezicht van een andere gekoppelde plaatsvinden.

  • Samenloop met sector kinderopvang

Op locaties waar kinderopvang en onderwijs samen zijn gehuisvest dient enkel het personeel dat aan de criteria voor de VOG-plicht voldoet ingeschreven te worden in het register. Personeel dat werkzaam is voor een kinderopvangorganisatie, maar geen werkzaamheden verricht voor de onderwijsorganisatie hoeft derhalve niet te worden ingeschreven in het register. Een uitzondering betreft personen die zowel in de

28 Zie: artikel 74, tweede lid, onderdeel b van de WPO en artikel 4.5a, tweede lid, onderdeel d, van de WVO 2020.

kinderopvang als in het primair onderwijs werkzaam zijn. Voor deze specifieke groep geldt een dubbele inschrijfplicht. Deze vloeit voort uit de verantwoordelijkheid voor het naleven van de wet- en regelgeving die bij het bevoegd gezag rust. Personeel dat in dienst is van een houder van een kinderopvangorganisatie zal – als het ook werkzaam is in het primair onderwijs– ook in het personenregister onderwijs moeten worden geregistreerd. Net als dat het op dit moment nodig is dat personeel dat werkzaam is in het primair onderwijs en tegelijkertijd werkzaam is in de kinderopvang zowel VOG-plicht heeft bij de houder van de kinderopvangorganisatie als het bevoegd gezag in het primair onderwijs.

Op 1 juli 2024 is een beleidswijziging ingevoerd waardoor personen in het primair onderwijs kunnen volstaan met een VOG-kinderopvang.29 Dit blijft mogelijk. In het verlengde daarvan wordt het voor deze personen ook mogelijk om zich met een geldige VOG-kinderopvang in te schrijven in het personenregister onderwijs.

  • Overwogen alternatieven

De regering heeft een aantal alternatieven overwogen voor de uitbreiding van de reikwijdte van de VOG-screening.

Uitbreiding naar iedereen die in het onderwijs actief is

De regering heeft overwogen om de reikwijdte van de continue screening uit te breiden naar iedereen die in het onderwijs actief is, in plaats van enkel degenen die structureel actief zijn en zonder toezicht van een andere gekoppelde in aanraking komen met leerlingen. Dit zou met name grote effecten hebben op de inzet van vrijwilligers in het onderwijs. Daarmee zouden bijvoorbeeld ook vrijwilligers worden toegevoegd die eenmalig ondersteunen bij een schoolreis of bij een kerstviering (niet structureel actief). Of bijvoorbeeld vrijwilligers die regelmatig komen helpen luizenpluizen (en niet alleen zijn met leerlingen).

De regering acht dit echter disproportioneel. Voor personen die hun werkzaamheden altijd in het bijzijn van andere gescreende personen doen, acht de regering een continue screening niet noodzakelijk. Deze categorie meenemen in de continue screening zou zonder die noodzaak een niet-proportionele inbreuk opleveren op de persoonlijke levenssfeer van deze personen.

Voor degenen die een keer ad hoc ondersteunen, maakt de regering een afweging tussen enerzijds het kleine risico voor de leerlingen dat zij van deze personen verwacht en anderzijds het verwachte nadelige effect van het afsluiten van de toegang tot de school. Het zou daarmee niet langer mogelijk zijn om incidenteel een gastdocent een les te laten verzorgen op een school of om vrijwillige ouders te vragen een schoolreisje te begeleiden zonder deze personen daaraan voorafgaand te laten inschrijven in het register. Het bevoegd gezag zou een uitgebreide administratie moeten bijhouden van wie zich allemaal moet inschrijven en voor al deze personen een koppeling in het register moeten verzorgen. Personen zelf wordt gevraagd om een VOG aan te vragen en zich te koppelen aan een bevoegd gezag in het register. Dat kan met name bij vrijwilligers het animo om op vrijwillige basis te helpen en ondersteunen op school doen afnemen. Terwijl juist de bijdrage van deze vrijwilligers van groot belang is, in met name het primair onderwijs, voor het organiseren van leerzame en verrijkende ervaringen voor leerlingen.

Geen continue screening voor categorieën personen voor wie eerst nog geen VOG-plicht gold

Ook in algemenere zin heeft de regering overwogen om niet alle categorieën personen naar wie de VOG-plicht wordt uitgebreid, ook mee te nemen in het regime van continue screening. Het uitbreiden van de VOG-plicht wil immers niet noodzakelijk zeggen dat alle

29 Kamerstukken II, 2023-2024, 27923, nr. 491.

toegevoegde personen ook continu gescreend zouden moeten worden. Dat vergt een aparte afweging.

De regering heeft die afweging gemaakt en is van mening dat het uitgangspunt dat relevante strafbare feiten ook tijdens het dienstverband meegenomen moeten worden, ook voor de toegevoegde categorieën personen zou moeten gelden. De achtergrond van dat uitgangspunt is de geconstateerde tekortkoming in het huidige systeem dat een VOG steeds minder zeggingskracht heeft naarmate iemand langer in dienst is. Die tekortkoming is problematisch gezien het risico dat personen met relevante antecedenten in het JDS onveilig gedrag vertonen richting leerlingen. Dat risico ziet de regering ook bij de toegevoegde categorieën personen. Daarom acht de regering het gerechtvaardigd om ook deze categorieën mee te nemen in continue screening.

4.           Caribisch Nederland

Voor Caribisch Nederland geldt het uitgangspunt ‘comply or explain’. Dat wil zeggen dat regelgeving die in Europees Nederland geldt ook van toepassing is op Caribisch Nederland, tenzij er aanleiding is om dat niet te doen. Die aanleiding ziet de regering hier, omdat er praktische omstandigheden zijn die toepassing belemmeren van de werkwijze voor continue screening in Europees Nederland op de BES-eilanden. Zo heeft Justis geen rol op de BES-eilanden. In Caribisch Nederland beslist de gezaghebber van het eiland over de toekenning van een VOG. Bovendien worden niet dezelfde bronnen betrokken, zoals de volledige informatie uit het JDS. Dat betekent dat er een geheel nieuwe systematiek voor continue screening ontwikkeld zou moeten worden die niet zou aansluiten bij andere sectoren op de BES-eilanden en bij de huidige screeningspraktijk op de BES-eilanden.

Daarom concludeert de regering dat het op dit moment niet opportuun is om invoering van continue screening op de BES-eilanden op te nemen als onderdeel van dit wetsvoorstel. Gezien het belang dat de regering hecht aan het beschermen van de veiligheid van minderjarigen, stelt de regering voor om op de BES-eilanden over te gaan tot een vorm van tweejaarlijkse periodieke screening. Dat betekent dat de geldigheidsduur van de VOG voor medewerkers van bevoegde gezagen in het primair en voortgezet onderwijs wordt beperkt tot twee jaar. Hiermee wordt aangesloten bij de VOG-screening BES in de sector kinderopvang. Voorts is de uitbreiding van de reikwijdte van de VOG-plicht wel van toepassing op de BES-eilanden.

5.           Verhouding tot hoger recht

Dit wetsvoorstel beoogt een wettelijke grondslag te creëren om het mogelijk te maken om personen die werkzaamheden verrichten binnen het funderend onderwijs op continue basis te screenen op veranderingen in hun justitiële documentatie. Het wetsvoorstel raakt daarmee indringend de persoonlijke levenssfeer van degenen die het betreft en vormt tevens een beperking van verschillende andere grondrechten. Deze grondrechten vloeien voort uit Europese en internationaalrechtelijke verdragen en de Grondwet. De regering acht de beperkingen van deze grondrechten noodzakelijk en gerechtvaardigd in het licht van het te beschermen belang: het waarborgen van een veilige schoolomgeving voor leerlingen.

  • Verhouding tot het EVRM en het HvEU
  • Recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer

Op grond van artikel 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: HvEU) heeft eenieder recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en zijn persoonsgegevens. Eenzelfde bescherming vloeit voort uit artikel 8 van het EVRM, waarin het recht op eerbieding van het privéleven wordt gewaarborgd. Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat het recht op bescherming van persoonsgegevens in algemene zin van fundamentele betekenis is voor het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.30

30 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het EHRM van 16 februari 2000, Amann v. Switzerland, no. 27798/95.

Met het wetsvoorstel wordt het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer beperkt. De verplichting aan alle personen die werkzaamheden verrichten in het funderend onderwijs om zich in het register in te schrijven en hen vervolgens continu te screenen op veranderingen in justitiële documentatie, leidt ertoe dat er op structurele basis persoonsgegevens over de betrokkenen worden verwerkt, waaronder persoonsgegevens van strafrechtelijke aard. Daar komt bij dat indien er op basis van de continue screening een vermoeden ontstaat dat de ingeschrevene niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG het bevoegd gezag hiervan op de hoogte wordt gesteld. Daarmee vindt er rechtstreekse inmenging door de overheid plaats in de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, waarbij informatie over de ingeschrevene gedeeld wordt met diens werkgever/opdrachtgever, waarna de ingeschrevene zijn werkzaamheden stil zal moeten leggen. De gegevens die daarbij worden verstrekt zijn persoonsgegevens van strafrechtelijke aard. De gevolgen voor de persoonlijke levenssfeer van betrokkene zijn, zeker in dat geval, dan ook groot. Desondanks acht de regering deze beperking noodzakelijk en gerechtvaardigd.

Een beperking van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan gerechtvaardigd zijn indien sprake is van een beperking die is voorzien bij wet, de beperking een legitiem doel dient en deze noodzakelijk is in een democratische samenleving. Dit betekent dat de beperking voldoet aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Met dit wetsvoorstel wordt voorzien in de noodzakelijke grondslagen voor de verwerking van persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, bij wet. Daarmee is de beperking kenbaar en voorzienbaar voor iedereen die valt onder de reikwijdte van de screening. Daartoe is onder meer in het wetsvoorstel geregeld wie zich moeten inschrijven in het register, welke gegevens daartoe worden aangeleverd en wanneer er een kennisgeving wordt verstrekt.

Het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt met dit wetsvoorstel beperkt ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Het voorstel beoogt de veiligheid van minderjarigen in het funderend onderwijs beter te waarborgen door ervoor te zorgen dat relevante antecedenten altijd worden betrokken bij de vraag of iemand mag (blijven) werken in het onderwijs, ook bij personen die nu nog niet VOG-plichtig zijn, zoals bepaalde vrijwilligers, stagiairs en bestuurders en intern toezichthouders. Leerlingen hebben recht op een veilige schoolomgeving, en aan de basis van die veilige schoolomgeving staan de volwassenen die die omgeving samen met hen vormgeven, zoals leerkrachten, schooldirecteuren, IB’ers, conciërges en bestuurders. Leerlingen en ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat de volwassenen met wie leerlingen op school in aanraking komen, mee helpen zorgdragen voor een veilige leeromgeving, maar bovenal dat zij deze niet aantasten. Zoals toegelicht is de VOG een belangrijk middel dat bevoegd gezagen hebben om risico’s op onveiligheid vanuit onderwijspersoneel richting leerlingen te voorkomen. Bij de afgifte van een VOG wordt namelijk op basis van iemands justitiële documentatie beoordeeld of deze persoon geschikt is om in het onderwijs werkzaam te zijn. Hiermee worden strafbare feiten die na afgifte van de VOG plaatsvinden, echter niet betrokken. Daarmee kan de situatie ontstaan dat iemand die op basis van zijn justitiële documentatie niet geschikt is om op een school werkzaamheden te verrichten, daar toch werkzaamheden verricht en contact heeft met leerlingen.

Met continue screening kunnen deze personen op effectieve wijze geweerd worden uit het onderwijs. Het is daarmee een effectief middel om een veilige schoolomgeving te waarborgen. Continue screening voldoet eveneens aan de eisen van subsidiariteit omdat dit het enige middel is waarmee relevante antecedenten altijd aan het licht komen.

Wanneer voor een lichter middel zou worden gekozen zoals periodieke screening, zouden relevante strafbare feiten immers pas aan het licht komen bij een nieuwe VOG-aanvraag na een periode van bijvoorbeeld vijf, drie of twee jaar. Dat zou betekenen dat er alsnog een aanzienlijke periode kan zitten tussen een voor de functie relevante

verandering in de justitiële documentatie, en een nieuwe VOG-aanvraag. Gedurende die periode kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de betrokkene mogelijk niet langer voldoet aan de voorwaarden voor een VOG, terwijl de betrokkene wel zijn werkzaamheden kan voortzetten. Daarmee acht de regering een dergelijke maatregel niet maximaal effectief.

Tot slot acht de regering de beperking van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer evenredig in verhouding tot het te dienen belang. Het zwaarwegende belang van het waarborgen van de veiligheid van leerlingen op school moet in het kader van de proportionaliteit worden afgewogen tegen de beperking van de rechten van betrokkenen. Hoewel de beperking van de rechten van betrokkene substantieel is, zowel in het kader van de verwerking van persoonsgegevens als ten aanzien van de inmenging in de persoonlijke levenssfeer bij een kennisgeving, staat daar het zwaarwegende belang van een veilige schoolomgeving voor minderjarige en daarmee kwetsbare leerlingen tegenover. Voor de verwerking van persoonsgegevens heeft de regering voorzien in passende en specifieke waarborgen om de beperking van het recht op de persoonlijke levenssfeer zo veel als mogelijk te mitigeren. In dit kader wordt verwezen naar paragraaf 7.1. Daarbij geldt ten aanzien van personen die op dit moment ook al VOG-plichtig zijn, dat zij al een keer eerder deze persoonsgegevens hebben verstrekt. De beperking van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij het verstrekken van een kennisgeving, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van dit wetsvoorstel, is wezenlijk, maar zoals reeds gesteld acht de regering die proportioneel. Een kennisgeving kan worden verstrekt wanneer een mutatie in de justitiële documentatie aanleiding geeft om te vermoeden dat betrokkene niet langer voldoet aan de vereisten van de VOG. Een VOG wordt geweigerd indien uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken persoon, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de VOG is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, is gebleken van bezwaren tegen de persoon.31 Indien er dus een vermoeden ontstaat dat een betrokkene niet langer voldoet aan de vereisten voor een VOG in het onderwijs, dan is er een vermoeden dat er gelet op het risico voor de samenleving en na afweging van het belang van de betrokkene, mogelijk sprake is van bezwaren tegen de persoon in een functie binnen het onderwijs. De regering acht de bescherming van de veiligheid van minderjarige leerlingen in het funderend onderwijs van zo’n groot belang, dat het noodzakelijk is dat in een dergelijk geval altijd direct wordt opgetreden.

Ook ten aanzien van personen die op dit moment nog niet VOG-plichtig zijn, maar met dit wetsvoorstel wel en die ook onder de continue screening zullen vallen, zoals vrijwilligers, stagiairs, bestuurders en intern toezichthouders, wordt de beperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer proportioneel geacht. Deze groep is afgebakend, waarbij ten aanzien van vrijwilligers geldt dat zij enkel onderworpen zijn aan continue screening indien zij structureel aanwezig zijn op een school en zonder toezicht van een andere gekoppelde in aanraking komen met leerlingen. Vrijwilligers kunnen, net zoals personeel dat voor de klas staat, de veiligheid van leerlingen aantasten en de regering acht het van belang dat relevante antecedenten kunnen worden betrokken bij de vraag of vrijwilligers hun werkzaamheden kunnen uitoefenen. Indien het Wetsvoorstel bevordering bestuurlijke kwaliteit en integriteit in het funderend onderwijs tot wet wordt verheven, zullen ook bestuurders en toezichthouders moeten beschikken over een VOG (zie ook paragraaf 6.2). In dat geval zullen zij dus niet vallen onder de groep personen die nu nog niet VOG-plichtig is. De regering acht het proportioneel dat bestuurders en (intern) toezichthouders, net als andere personen die duurzaam aan de school verbonden zijn, continu gescreend worden, ook indien het Wetsvoorstel bevordering bestuurlijke kwaliteit en integriteit niet tot wet wordt verheven. Ten aanzien van bestuurders en (intern) toezichthouders geldt dat zij verantwoordelijk zijn voor de wettelijke eisen op het gebied van veiligheid en volgens de regering daarom aan dezelfde veiligheidseisen dienen te worden onderworpen als het onderwijspersoneel dat voor de klas staat.

31 De afgifte van een VOG wordt gereguleerd door titel 2, afdeling 5, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

  • Recht op vrijheid van beroepskeuze

Op grond van artikel 15 van het HvEU heeft iedere unieburger het recht om te werken en een vrijelijk gekozen beroep uit te oefenen. Met de introductie van continue screening wordt dit recht beperkt. Indien er sprake is van een relevante verandering in de justitiële documentatie en de inschrijving in het register wordt geschorst, is het tot deze schorsing wordt opgeheven niet meer mogelijk om werkzaam te zijn binnen het onderwijs. Het recht op vrije beroepskeuze is echter geen absoluut recht, het moet bezien worden in relatie tot zijn functie in de maatschappij. Aan de uitoefening van deze vrijheid kunnen aldus beperkingen worden gesteld op voorwaarde dat zij, met inachtneming van artikel 52, eerste lid, van het HvEU, bij wet worden gesteld, dat zij noodzakelijk en proportioneel zijn en de beperkingen aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen beantwoorden.

Het wetsvoorstel voorziet in een bij wet gestelde beperking op de vrijheid van beroepskeuze, door te regelen dat personeelsleden, bestuurders en toezichthouders zich moeten inschrijven in het register continue screening. Deze beperking bestaat – grotendeels32 – al en is noodzakelijk om de zedelijkheid te borgen van hen die het onderwijs verzorgen en daarbij in aanraking komen met leerlingen. Met dit wetsvoorstel wordt de beperking evenwel indringender. Dit doordat wordt voorgesteld dat wanneer er relevante wijzigingen zijn in iemands justitiële documentatie deze inschrijving wordt geschorst en er een nieuwe VOG dient te worden aangevraagd. Tot de nieuwe VOG wordt afgegeven, moeten de werkzaamheden in het funderend onderwijs worden stilgelegd. Als er op grond van die afweging een vermoeden van bezwaren blijkt tegen degene die de VOG heeft aangevraagd, is de beperking van zijn vrijheid van beroepskeuze noodzakelijk, subsidiair en proportioneel gezien het zwaarwegende belang van de veiligheid van leerlingen zoals hierboven reeds toegelicht. De voorgestelde beperking dient aldus ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, namelijk de veiligheid van leerlingen.

  • Verhouding tot de Grondwet
  • Recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer

Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is ook vastgelegd in artikel 10 van de Grondwet. Beperkingen van dit recht dienen bij of krachtens de wet plaats te vinden. Het wetsvoorstel voorziet in een grondslag voor de voorgestelde beperking. De noodzaak en proportionaliteit van de beperking in dit wetsvoorstel zijn reeds uiteengezet in paragraaf 5.1.1.

  • Vrijheid van onderwijs

In artikel 23 van de Grondwet is de vrijheid van onderwijs opgenomen. Deze vrijheid is niet onbeperkt. Artikel 23 geeft de wetgever onder bepaalde voorwaarden de bevoegdheid de vrijheid van onderwijs te beperken. Dit wetsvoorstel vormt een dergelijke beperking.

Het betreft daarbij allereerst de door artikel 23, tweede lid, beschermde vrijheid om onderwijs te geven. Met de in het wetsvoorstel opgenomen verplichting tot inschrijving in het register voor onderwijsgevenden stelt de wetgever grenzen aan wie binnen het leerplichtig onderwijs, onderwijs mag geven. Artikel 23, tweede lid, van de Grondwet geeft hier ook met zoveel woorden de bevoegdheid toe. De vrijheid van onderwijs geldt immers behoudens het onderzoek naar de ‘bekwaamheid en zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen’. Met het onderhavige wetsvoorstel wordt voorzien in een aanscherping van de regels omtrent de zedelijkheid van leerkrachten. Waar eerst eenmalig een VOG moest worden overgelegd bij

32 Zoals reeds eerder uiteengezet wordt de verplichting voor bestuurders en toezichthouders naar verwachting met een ander wetsvoorstel dat in voorbereiding is geïntroduceerd.

indiensttreding, dient een leerkracht zich nu in te schrijven in het register en zich te koppelen aan het bevoegd gezag waar hij werkt.

Het voorliggende wetsvoorstel vormt ook een beperking van de vrijheid van onderwijs in de zin van de door artikel 23 Grondwet beschermde vrijheid van stichting, richting, en inrichting. De aanstelling van onderwijzers vormt daarbinnen een specifiek beschermd recht, maar zoals hierboven reeds weergegeven behoudens het onderzoek naar de ‘zedelijkheid’ van de leerkrachten. Ook de inrichtingsvrijheid van het bevoegd gezag in algemene zin wordt beperkt, door het stellen van verdere voorwaarden ten aanzien van het personeel. Aan het bevoegd gezag wordt met dit wetsvoorstel de beperking opgelegd dat zij enkel personeel mag aanstellen, bestuurders en toezichthouders mag benoemen en andere werkzaamheden mag laten verrichten waar leerlingen bij betrokken zijn indien zij aan hen gekoppeld zijn in het register continue screening funderend onderwijs. Artikel 23 geeft de wetgever de bevoegdheid de vrijheid van onderwijs te beperken, voor zover deze eisen noodzakelijk zijn voor het borgen van de deugdelijkheid van het onderwijs. De veiligheid van leerlingen is een noodzakelijkheidsvoorwaarde voor een omgeving waarin leerlingen tot leren kunnen komen. Als zodanig staat een veilige schoolomgeving aan de basis van het geven van deugdelijk onderwijs.

De regering acht de gestelde beperkingen noodzakelijk en proportioneel gelet op het belang van het borgen van de zedelijkheid van leerkrachten en daarmee een veilige schoolomgeving voor leerlingen. Continue screening is een effectief middel om deze doelen te bereiken en het stellen van een dergelijke verplichting is dan ook in lijn met de in de Grondwet opgenomen grondslag om bij wet eisen te stellen met betrekking tot het onderzoek naar de zedelijkheid van hen die onderwijs geven.

  • Periodieke screening

De genoemde grondrechten gelden eveneens ten aanzien van het stelsel van periodieke screening dat de regering voorstelt in te voeren op Caribisch Nederland. Hoewel de effectiviteit van periodieke screening ten opzichte van continue screening minder optimaal is – zoals reeds uiteengezet in paragraaf 3.1.3 Overwogen alternatieven – acht de regering deze oplossing voor Caribisch Nederland op dit moment de meest doelmatige maatregel voor het borgen van een veilige schoolomgeving voor deze leerlingen. De met de maatregel gepaard gaande beperking van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, de vrijheid van beroepskeuze en de vrijheid van onderwijs is minder vergaand dan de beperking die plaatsvindt met de continue screening. De regering acht de beperking dan ook noodzakelijk en proportioneel gelet op het belang van een veilige schoolomgeving.

6.           Verhouding tot nationaal recht

  • Rechtsbescherming

Het wetsvoorstel voorziet in een – indringende – beperking van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. De kern van de besluitvorming die daaraan raakt vindt plaats bij de aanvraag en verstrekking of afwijzing van de VOG. De verstrekking van de VOG geeft (opnieuw) toegang tot het register en daarmee tot het verrichten van werkzaamheden binnen het funderend onderwijs. De afwijzing van de VOG is een besluit waartegen via de gebruikelijke bezwaar en beroepsprocedure tegen op kan worden gekomen. De kennisgeving als zodanig is geen besluit, nu het geen publiekrechtelijke rechtshandeling betreft, als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, omdat zij geen publiekrechtelijk rechtsgevolg beoogd. De eventuele tijdelijke schorsing van betrokkene vindt plaats via de band van de privaatrechtelijke rechtsrelatie tussen betrokkene en het bevoegd gezag. Tegen de kennisgeving staat dan ook geen bezwaar en beroep open. Uiteraard zal in de meeste gevallen een kennisgeving leiden tot een hernieuwde VOG-aanvraag, waarbij tegen de afwijzing daarvan wel bezwaar kan worden gemaakt.

  • Samenloop Wetsvoorstel bevordering bestuurlijke kwaliteit en integriteit in het funderend onderwijs

Met het Wetsvoorstel bevordering bestuurlijke kwaliteit en integriteit in het funderend onderwijs wordt voorgesteld om een VOG-plicht in te voeren voor bestuurders en toezichthouders. Onderhavig voorstel van wet sluit hierbij aan en regelt in aansluiting daarop dat bestuurders en toezichthouders, evenals andere personen die duurzaam verbonden zijn aan de school, op continue basis gescreend worden. De regering acht dit hoe dan ook wenselijk, ook indien enkel dit wetsvoorstel tot wetsvoorstel zal worden verheven zal daar dan ook toe worden overgegaan. Daarmee bevat dit wetsvoorstel ook in zichzelf een verplichting tot een VOG voor bestuurders en toezichthouders.

7.           Gevolgen

  • Gevolgen voor de verwerking van persoonsgegevens

De verwerkingen van persoonsgegevens die in het kader van dit wetsvoorstel zullen plaatsvinden, vormen een beperking van het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dit recht is zoals reeds in paragraaf 6.1.1 uiteengezet verankerd in Europees en nationaal recht: het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 8), het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikelen 7 en 8) en de Grondwet (artikel 10).

Dit grondrecht is niet absoluut. Een inperking ervan is op grond van de bovengenoemde wetten en verdragen toegestaan, mits de inperkende maatregel:

  • bij wet is voorzien;
  • noodzakelijk is in een democratische samenleving;
  • voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De toets aan proportionaliteit houdt in het geval van verwerking van persoonsgegevens in dat het doel van de verwerking in verhouding staat tot het recht van de betrokkenen op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Een verwerking voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel als er geen minder ingrijpende, effectieve alternatieven beschikbaar zijn om het beoogde doel van de verwerking te bereiken. Zie uitgebreider daarover paragraaf 6.1.1.

Naast de hierboven genoemde grondrechtelijke bepalingen, die op meer aspecten van de persoonlijke levenssfeer betrekking hebben dan alleen de verwerking van persoonsgegevens, zijn voor dit wetsvoorstel de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) van belang.

De AVG en de UAVG bieden kaders voor de verwerking van persoonsgegevens. De belangrijkste eisen waaraan die verwerking volgens de AVG moet voldoen zijn: doelbinding, noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Doelbinding in de zin van de AVG houdt in dat als uitgangspunt geldt dat gegevens alleen verwerkt mogen worden voor het doel waarmee ze verzameld zijn.

Hieronder wordt toegelicht hoe de maatregelen in dit wetsvoorstel passen binnen deze grondrechtelijke kaders en welke maatregelen en waarborgen de regering treft om de rechten van betrokkenen te beschermen. Deze afwegingen zijn ook uitgewerkt in een Data Protection Impact Assessment over dit wetsvoorstel.

Bij verschillende onderdelen van het proces van continue screening worden persoonsgegevens verwerkt: gegevens die direct of indirect te herleiden zijn naar een individu. Het betreft gewone persoonsgegevens en strafrechtelijke persoonsgegevens. De verwerkingen vinden plaats met als doel het in stand houden en het gebruik van het register continue VOG screening funderend onderwijs en het uitvoeren van een continue screening op degenen die in het register zijn ingeschreven. De Minister van Onderwijs,

Cultuur en Wetenschap wordt in het voorstel aangewezen als verwerkingsverantwoordelijke voor het register en draagt zorg voor het beheer ervan.

Verwerking van persoonsgegevens: rechtsgrond en beginselen uit de AVG

De verwerking van gegevens door de minister van OCW op grond van dit wetsvoorstel is rechtmatig, omdat deze noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang: het in stand houden van een register ten behoeve van de continue VOG screening en het uitvoeren van de screening zelf. Deze taak is in het wetsvoorstel uitgewerkt. Per verwerking is een afweging gemaakt met betrekking tot de beginselen in artikel 5 van de AVG. De afwegingen over noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit (overwogen alternatieven) van de inrichting van het register en de continue screening, worden hierboven in de toelichting besproken en in het kader van de toetsing aan het EVRM, Handvest van de grondrechten van de EU en de Grondwet.

Betrokkenen van wie de gegevens worden verwerkt in de uitvoering van het wetsvoorstel, zijn hiervan op de hoogte, doordat zij zich zelf inschrijven in het register. Indien er uit de continue screening een signaal over hen naar boven komt, worden zij hier door DUO en door het bevoegd gezag waaraan zij zijn gekoppeld van op de hoogte gesteld.

Het doel van het register is nauwkeurig omschreven in de wet, waardoor de doelbinding van de verwerkingen rond het register gewaarborgd is.

Het beginsel van dataminimalisatie is geborgd doordat in het voorstel wordt voorgeschreven welke identificerende gegevens in het register moeten staan. Ook wordt voorgesteld om de inschrijving van personen die niet aan een bevoegd gezag gekoppeld zijn, na een in de wet voorgeschreven periode – te weten vier maanden – de te beëindigen. Het doel hiervan is te voorkomen dat persoonsgegevens langer in het register staan dan noodzakelijk voor het doel van de inschrijving. Door in de wet de toegang tot het register te beperken tot specifieke partijen enkel voor zover het noodzakelijk is ten behoeve van het doel, wordt het beginsel van integriteit en vertrouwelijkheid geborgd. Vanwege de gevoeligheid van de gegevens is daarbij opgenomen dat elk van deze partijen expliciet de personen moet autoriseren die namens hem toegang hebben tot het register. Uit de AVG vloeit voort dat enkel die personen geautoriseerd kunnen worden, voor wie het noodzakelijk is om de gegevens in te zien.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de autorisatie van personen die onder het gezag van de minister vallen en toegang hebben tot het register. Functies en rollen van medewerkers van DUO bepalen welke gegevens geraadpleegd mogen worden. Afhankelijk van de functie en rol worden medewerkers geautoriseerd voor bepaalde raadpleegservices. Deze raadpleegservices zijn er op ingericht om alleen gegevens te tonen die nodig zijn voor het uitvoeren van de betreffende (wettelijke) taak. Het voorgaande zal betrokken worden bij uitvoering van artikel 9 om deze autorisatie ook inzichtelijk te maken. Het autorisatiesysteem zal beschreven worden in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 9, tweede lid.

Verwerking van het burgerservicenummer

In enkele stappen in de keten van continue screening wordt het burgerservicenummer (BSN) verwerkt omdat dit noodzakelijk is voor identificatie van betrokkene(n):

  • bij de inschrijving in het register;
  • bij de koppeling aan een bevoegd gezag; en
  • in de kennisgeving van DUO aan een bevoegd gezag.33

De Wet Algemene bepalingen burgerservicenummer staat toe dat overheidsorganen bij het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van hun taak gebruikmaken van het BSN.34 Het BSN moet daarbij noodzakelijk zijn voor de uitvoering

33 Voorgesteld artikel 7, tweede lid.

34 Wet Algemene bepalingen burgerservicenummer, artikel 10.

van die taken. Dat is bij de hierboven beschreven processtappen het geval: het BSN is daar noodzakelijk om de identiteit vast te stellen van de persoon die zich inschrijft in het register en die onderwerp is van de screening.

Het BSN geldt als een gevoelig persoonsgegeven omdat misbruik tot grote gevolgen kan leiden voor betrokkenen: bij het verwerken ervan is extra zorgvuldigheid geboden. Die zorgvuldige verwerking is geborgd in de werkprocessen van DUO, waarover deze organisaties een DPIA uitgevoerd hebben.

Verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens.

Strafrechtelijke persoonsgegevens zijn gegevens over strafrechtelijke veroordelingen of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen. Deze persoonsgegevens mogen alleen worden verwerkt onder toezicht van de overheid of indien de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen. Daarbij vereist de AVG dat passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van betrokkenen worden geregeld, waarvan de hoofdlijnen in de wet staan. Deze waarborgen moeten worden getroffen in aanvulling op het voldoen aan de hierboven beschreven algemene kaders voor verwerking van persoonsgegevens.

De UAVG geeft ook kaders voor het verwerken van strafrechtelijke persoonsgegevens, in de vorm van uitzonderingsgronden voor het verwerken van strafrechtelijke persoonsgegevens.35 Een van die gronden is dat verwerkingsverantwoordelijke de gegevens heeft verkregen op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.36 Die uitzonderingsgrond is relevant voor dit wetsvoorstel, omdat de strafrechtelijke gegevens die DUO en het bevoegd gezag op grond van het voorstel verwerken, afkomstig zijn van Justis. De regering is voornemens om ten behoeve van het uitvoeren van de in deze wet opgenomen wettelijke taak van de minister van OCW in het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens een grondslag op te nemen voor de ambtshalve verstrekking van de benodigde gegevens uit de justitiële documentatie.

De signaalbrief die DUO van Justis ontvangt en de kennisgeving die DUO vervolgens verstrekt aan het betreffende bevoegd gezag bevatten identificerende gegevens en een melding dat er bij de betreffende persoon een voor de functie relevante mutatie in het JDS heeft plaatsgevonden. Het valt niet uit te sluiten dat de melding van Justis en de kennisgeving aan een bevoegd gezag daarmee strafrechtelijke persoonsgegevens bevatten: gegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of veiligheidsmaatregelen die daarmee verband houden. Omdat het gaat om de verwerking van onder andere persoonsgegevens van strafrechtelijke aard voorziet het wetsvoorstel conform de AVG in een expliciete verwerkingsgrondslag. Daarbij is bovendien voorzien in passende en specifieke wettelijke waarborgen.

Voor de verwerking en verstrekking, in de vorm van een kennisgeving, van de gegevens door de minister van OCW (DUO) is in een grondslag voorzien in voorgesteld artikel 4 en artikel 7 van deze wet. Met artikel 4 wordt voorzien in een grondslag voor de minister van OCW om gegevens uit te wisselen met Justid ten behoeve van de continue screening. Artikel 7, tweede lid, voorziet vervolgens in een wettelijke grondslag voor het verstrekken van de kennisgeving, die strafrechtelijke persoonsgegevens bevat. Te weten de indicatie dat er sprake is van een mutatie in de justitiële documentatie die aanleiding geeft te vermoeden dat iemand niet langer voldoet aan de vereisten voor afgifte van een VOG. Artikel 7, eerste lid, voorziet in een grondslag voor het schorsen van de persoon in het register, waarmee het persoonsgegeven wordt geregistreerd. De toegang tot deze registraties in het register is geregeld in artikel 9. Daar is deze beperkt tot daartoe geautoriseerde personen ten behoeve van specifieke taken. Daarnaast regelt artikel 7, zevende lid, dat met het opheffen van de schorsing ook de daaraan ten grondslag

35 UAVG, paragraaf 3.2.

36 UAVG, artikel 33, eerste lid, onderdeel a.

liggende gegevens, dus de signaalbrief en de registratie in het register vernietigd worden.

Op grond van artikel 7, vierde lid, informeert de minister van OCW (DUO) eveneens de inspectie over de verzonden kennisgeving. In het kader van dataminimalisatie omvat het signaal richting de inspectie enkel welk bevoegd gezag het betreft. In combinatie echter met de toegang tot het register die voorzien is in artikel 9, eerste lid, onderdeel d, is deze informatie voor de inspectie herleidbaar tot een individueel persoon. Daarom dient ook dit signaal aangemerkt te worden als het verstrekken van een persoonsgegeven van strafrechtelijke aard in de zin van de AVG. Om deze reden is ook daartoe voorzien in een expliciete verwerkingsgrondslag. De toegang tot het register is beperkt tot door de inspectie geautoriseerde personen en mag enkel gebruikt worden ten behoeve van de toezichtstaken van de inspectie. Het signaal naar de inspectie bevat geen zelfstandige persoonsgegevens. Deze is enkel herleidbaar via het register. Door het vernietigen van de registratie in het register door DUO bij het opheffen van de schorsing dan wel het beëindigen van de inschrijving, worden deze gegevens eveneens voor de inspectie vernietigd.

Ook het bevoegd gezag verwerkt voor het uitvoeren van haar wettelijke taken in het kader van dit wetsvoorstel persoonsgegevens van strafrechtelijke aard. Deze wettelijke taken zijn opgenomen in de voorgestelde artikelen 3b van de Wet op het primair onderwijs, 3b van de Wet op de expertisecentra en 7.3a van de Wet voortgezet onderwijs 2020. Daarbij is voorzien in een bewaartermijn door te regelen dat de kennisgeving vernietigd wordt zodra het bevoegd gezag geïnformeerd wordt over het opheffen van de schorsing, dan wel zodra de werkzaamheden definitief beëindigd zijn. Met name in het geval van een arbeidsrechtelijke relatie kan er sprake zijn van noodzaak om de kennisgeving langer te bewaren indien deze de grondslag vormt voor het nemen van arbeidsrechtelijke maatregelen.

Caribisch Nederland

In Caribisch Nederland wordt voorgesteld om over te gaan op een systeem van periodieke screening. Ook daarbij worden persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens van strafrechtelijke aard verwerkt. In aansluiting op de huidige systematiek dient er een VOG overgelegd te worden, waarvan het bevoegd gezag vervolgens een afschrift in zijn administratie bewaart. In het kader van de periodieke screening dient deze VOG vervolgens tweejaarlijks geactualiseerd te worden. Omdat er op dat moment niet langer een noodzaak bestaat tot het bewaren van het afschrift van de eerder overgelegde VOG voorziet het wetsvoorstel in een bepaling dat deze op dat moment vernietigd dient te worden. Daarmee wordt voorkomen dat oude VOG’s onnodig lang bewaard blijven in de administratie van het bevoegd gezag.

  • Gevolgen voor het doenvermogen

In algemene zin verwacht de regering geen grote gevolgen voor het doenvermogen van burgers. Het wetsvoorstel heeft tot gevolg dat meer personen een VOG moeten aanvragen. Die VOG-aanvraag zal in de meeste gevallen eenmalig zijn, aangezien het met continue screening bij overstap naar een nieuw bevoegd gezag niet meer nodig is om een nieuwe VOG aan te vragen. Een verder gevolg voor het doenvermogen is dat deze personen zich moeten inschrijven en laten koppelen in het personenregister. Het aanvragen van een VOG is in het onderwijs en daarbuiten al een zeer gangbare praktijk. De regering verwacht dan ook niet dat de uitbreiding van de reikwijdte van de VOG-plicht veel problemen zal opleveren.

Continue screening is in het onderwijs weliswaar nieuw, maar bestaat wel al in andere sectoren zoals de kinderopvang. Daar is de ervaring dat het voor personen goed uitvoerbaar is om zich in te schrijven in het personenregister kinderopvang. Aangezien het model in de kinderopvang als uitgangspunt wordt genomen, is de verwachting dat dit ook zo zal zijn in het funderend onderwijs.

Een punt waar de regering wel uitdagingen voorziet ten aanzien van doenvermogen is de continue screening van vrijwilligers. Ook al zijn het inschrijven in het register en het aanvragen van een VOG op zich geen complexe handelingen, kunnen deze zaken wel een drempel opwerpen voor bijvoorbeeld ouders om zich aan te melden als vrijwilliger.

Dit zal zeker gelden voor mensen die het Nederlands minder machtig zijn. Daarom stelt de regering in dit wetsvoorstel voor om niet alle vrijwilligers continu te laten screenen, maar alleen vrijwilligers die structureel actief zijn op school en zonder toezicht van een andere gekoppelde in aanraking komen met leerlingen.

  • Gevolgen voor de regeldruk

In onderstaande tabel worden de verwachte gevolgen voor de regeldruk weergegeven. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen personen die werkzaam zijn in het onderwijs en besturen. Verder wordt onderscheid gemaakt tussen incidentele en structurele kosten. Het globale beeld is dat de regeldrukkosten met name terechtkomen bij de implementatie van dit wetsvoorstel, waarbij alle personen in het onderwijs een nieuwe VOG moeten aanvragen en zich moeten inschrijven in het register. Op termijn wordt echter juist een besparing van de regeldrukkosten verwacht, omdat continue screening zorgt voor een verlichting van de administratieve lasten. Onder de tabel worden de ingeschatte kosten verder toegelicht.

 Incidenteel Structureelper jaar
PersonenEuropees Nederland€ 15.878.665Europees Nederland– € 294.278
 Caribisch Nederland€ 15.741Caribisch Nederland€ 3.148
Totaal personen € 15.894.406 – € 291.130
SchoolbesturenEuropees Nederland€ 735.480Europees Nederland– € 122.580
 Caribisch Nederland€ 1.296Caribisch Nederland€ 324
Totaal schoolbesturen € 736.776 – € 122.256
Totaal € 16.631.182 – € 413.386

Europees Nederland

Personen: incidentele regeldrukkosten

ActiviteitTijd (uren)UurprijsRegeldruk-kosten per persoonAantal personenTotaal
Kennisname0,25€ 54€ 13,50653.433€ 8.821.481
Eenmalige nieuwe VOG-aanvraag0,1€ 54€ 5,40653.433€ 3.528.592
Uitschrijving0,1€ 54€ 5,40653.433€ 3.528.592
Totaal    € 15.878.665

De regering verwacht dat personen die duurzaam aan het onderwijs verbonden zijn bij ingang van dit wetsvoorstel tijd kwijt zullen zijn aan kennisname van de nieuwe wet, een eenmalige nieuwe VOG-aanvraag in verband met de ‘nulmeting’ en op den duur uitschrijving uit het register. De nulmeting houdt in dat voor alle personen die zich inschrijven, eerst een nieuwe VOG moet worden aangevraagd. Van kennisname van het voorstel schat de regering in dat dit ongeveer een kwartier duurt. Voor de overige onderdelen wordt uitgegaan van zes minuten. Voor de uurprijs is uitgegaan van het interne uurtarief voor onderwijsgevenden in het handboek meting regeldrukkosten: € 54.

Regeldrukkosten voor de inschrijving in het register zijn niet meegerekend, want de nadere vereisten voor de inschrijving in het register worden bepaald bij algemene maatregel van bestuur.

Het ingeschatte aantal personen is gebaseerd op onderstaande cijfers.

Personeelsleden po en vo37301.000
Personeelsleden aanvullend onderwijs38171.000
Interne toezichthouders en bestuurders397.000
Stagiairs4077.000
Overig41251.333
Totaal653.433

Hoewel de kosten voor inschrijving in het register in deze regeldrukberekening niet worden meegenomen, moet wel worden toegelicht waarom de regering ervoor kiest om deze kosten door te berekenen aan personen die zich inschrijven. Het algemene uitgangspunt is namelijk dat handhaving van wet- en regelgeving in beginsel uit algemene middelen moet worden gefinancierd. “Een uitzondering op dit algemene uitgangspunt is mogelijk indien individuele (rechts-)personen of groepen van (rechts-

)personen op basis van specifieke onderscheidende criteria aanwijsbaar zijn die in substantiële mate profijt hebben bij toezicht en handhaving door de overheid (het profijtbeginsel).”42

Bij het profijtbeginsel wordt onderscheid gemaakt tussen individueel toerekenbaar profijt en systeemprofijt. In dit geval zijn beide vormen van profijt aan de orde. Er is sprake van individueel toerekenbaar profijt bij “toelating”, waarvan hier sprake is omdat personen zich inschrijven in het register. “Dit profijt volgt uit de omstandigheid dat de toegelaten partij bepaalde handelingen mag verrichten die voor anderen verboden zijn dan wel gedrag mag nalaten dat voor anderen verplicht is gesteld.”43 Daarvan is hier sprake. Inschrijving in het register leidt er immers toe dat de persoon zijn of haar functie in het onderwijs mag uitoefenen.

“Er is sprake van systeemprofijt als de groep van ondertoezichtgestelden zelf specifiek en in substantiële mate profijt ondervindt van het toezicht op de groep.”44 Hiervan is ook sprake “als handhavingsactiviteiten noodzakelijk zijn voor het vertrouwen in de kwaliteit van producten of dienstverlening in een specifieke sector.”45 Dat is in dit geval zo. Zoals eerder toegelicht, beschouwt de regering de invoering van continue screening immers als een noodzakelijke maatregel om de veiligheid op scholen te verbeteren. Aangezien aldus aan het profijtbeginsel wordt voldaan, is het geoorloofd om de kosten voor inschrijving door te berekenen aan de personen die zich inschrijven.

Overigens is de regering voornemens om de kosten voor de inschrijvingen in de implementatiefase en eenmalige VOG-aanvragen in het kader van de ‘nulmeting’, het moment dat iedereen die onder dit wetsvoorstel valt zich in het register zal moeten inschrijven en daarvoor een nieuwe VOG moet overleggen, te vergoeden.

Personen: structurele jaarlijkse regeldrukkosten

37 Trendrapportage Arbeidsmarkt leraren po, vo en mbo 2024, p. 27. Bijlage bij Kamerstukken II 2023-2024. 27 923, nr.

497.

38 CPB (2024. Werkenden in het aanvullend en particulier onderwijs, p. 2.

39 Dit aantal is gebaseerd op een schatting, die uitgaat van twee bestuurders en vier intern toezichthouders per bestuur. (2+4) x 1.135 (besturen) = 7.000 (afgerond).

40 Kamerstukken II 2024-205, 36800, nr. 17, p. 45 en p. 48.

41 Dit aantal is gebaseerd op een uitvraag bij een aantal po- en vo-scholen.

42 Kamerstukken II 2013-2014, 24 035, nr. 407.

43 Idem.

44 Idem.

45 Idem.

ActiviteitTijd (uren)UurprijsRegeldruk-kosten per persoonAantal personenTotaal
Koppelverzoeken accepteren0,0083€ 54€ 0,4565.343€ 29.287
Ontkoppelen0,0083€ 54€ 0,4565.343€ 29.287
VOG’s aanvragen-0,1€ 54– € 5,4065.343– € 352.852
Totaal    – € 294.278

Personen die duurzaam verbonden zijn aan het onderwijs zullen op structurele basis koppelverzoeken van bevoegde gezagen moeten accepteren en zichzelf moeten ontkoppelen of ontkoppelverzoeken moeten accepteren. Afgezien van de initiële VOG-aanvraag die nodig is bij de inschrijving in het register, hoeven er geen VOG’s meer aangevraagd te worden zolang personen in het onderwijs actief blijven. Daarom is voor het aanvragen van VOG’s ook de besparing van regeldrukkosten berekend die het wetsvoorstel op dit punt met zich meebrengt. Zoals te zien is in de tabel, leidt dit tot een netto verlichting van regeldrukkosten voor personen die in het onderwijs actief zijn.

Regeldrukkosten in verband met kennisgevingen en daarop vereiste acties door personen zijn niet meegerekend, omdat het aantal kennisgevingen per jaar naar verwachting zeer laag is.

Ingeschat wordt dat het accepteren van een koppelverzoek en het regelen van een ontkoppeling allebei een halve minuut duren. Een VOG-aanvraag wordt net als eerder ingeschat op 6 minuten. Voor het aantal personen dat jaarlijks overstapt van bevoegd gezag is uitgegaan van 10% van het totaal aantal ingeschrevenen, oftewel 65.343. Van personeelsleden is bekend dat het percentage mutaties lager ligt: dat was in 2024 voor po 3,9% en voor het vo 4,8%. De regering verwacht echter dat stagiairs, invalleerkrachten en personen uit het aanvullend onderwijs vaker zullen overstappen.

Besturen: incidentele regeldrukkosten

ActiviteitTijd (uren)UurprijsRegeldruk-kosten per bestuurAantal besturenTotaal
Kennisname2€ 54€ 1081.135€ 122.580
VOG-aanvragen klaarzetten en koppelingen regelen i.v.m. nulmeting10€ 54€ 5401.135€ 612.900
Totaal    € 735.480

Schoolbesturen zullen tijd moeten besteden om kennis te nemen van de nieuwe wet. Verder moeten schoolbesturen VOG-aanvragen klaarzetten voor alle personen die duurzaam aan hun scholen verbonden zijn.

De regering schat in dat kennisname van het wetsvoorstel zo’n 2 uur vergt. Het klaarzetten van VOG-aanvragen en uitsturen van koppelverzoeken vergt naar schatting een tijdsinvestering van zo’n 10 uur, ervan uitgaande dat het klaarzetten van een aanvraag en het uitsturen van een koppelverzoek bij elkaar 1 minuut per persoon duurt oftewel 0,0167 uur. De berekening is als volgt: 0,0167 (uur) x 653.433 (totaal aantal personen) / 1.135 (besturen) = 10.

Besturen: structurele jaarlijkse regeldrukkosten

ActiviteitTijd (uren)UurprijsRegeldruk-kosten per bestuurAantal besturenTotaal
Koppelverzoeken0,48€ 54€ 261.135€ 29.404
VOG-aanvragen klaarzetten-0,48€ 54– € 261.135– € 29.404
Verantwoording-2€ 54– € 1081.135– € 122.580
Totaal    – € 122.580

De regering verwacht dat besturen jaarlijks tijd kwijt zullen zijn aan het doen van koppelverzoeken. Daarnaast is net als bij personen de besparing van regeldrukkosten berekend in verband met het feit dat er minder VOG-aanvragen hoeven plaats te vinden. Tot slot is de besparing berekend vanwege het feit dat besturen geen verantwoording meer hoeven af te leggen over de VOG-verplichting in het jaarverslag. Regeldrukkosten in verband met kennisgevingen en daarop vereiste acties door besturen zijn niet meegerekend, omdat het aantal kennisgevingen per jaar naar verwachting zeer laag is. Ingeschat wordt dat allebei deze activiteiten 0,5 minuut duren. Dit is vermenigvuldigd met het eerder berekende aantal mutaties per jaar: 65.343. Dat aantal is gedeeld door het aantal besturen en vermenigvuldigd met 0,5 minuut, wat neerkomt op 0,48 uur per bestuur. Voor de verantwoording in het jaarverslag is uitgegaan van twee uur.

Caribisch Nederland

De regeldrukkosten voor Caribisch Nederland worden apart berekend, omdat voor Caribisch Nederland wordt voorgesteld om periodieke screening in te voeren. De inschatting van de regeldrukkosten die daarbij komen kijken is als volgt.

Personen in Caribisch Nederland: incidentele regeldrukkosten

ActiviteitTijd (uren)(Uur)prijsRegeldruk-kosten per persoonAantal personenTotaal
Kennisname0,25€ 54€ 13,51.166€ 15.741
Totaal    € 15.741

Voor de kennisnamekosten voor personen wordt net als eerder uitgegaan van een kwartier. De inschatting is dat periodieke screening in Caribisch Nederland van toepassing zal zijn op 1.166 personen. Dit is berekend met een omrekening op basis van het leerlingaantal in Caribisch Nederland ten opzichte van geheel Nederland.46, 47

Personen in Caribisch Nederland: structurele jaarlijkse regeldrukkosten

ActiviteitTijd (uren)(Uur)prijsRegeldruk-kosten per persoonAantal personenTotaal
VOG- aanvraag0,05€ 54€ 2,701.166€ 3.148
Totaal    € 3.148

De structurele regeldrukkosten komen neer op een tweejaarlijkse herhaling van de kosten die komen kijken bij het doen van een nieuwe VOG-aanvraag.

Schoolbesturen in Caribisch Nederland: incidentele regeldrukkosten

ActiviteitTijd (uren)(Uur)prijsRegeldruk-kosten per bestuurAantal besutrenTotaal
Kennisname2€ 54€ 10812€ 1.296

46 Het totaal aantal leerlingen in het funderend onderwijs is 2.437.266 (in oktober 2024). Het totaal aantal leerlingen in het funderend onderwijs in Caribisch Nederland is 4.348 (in 2024-2025). 4.348/2.437.266 = 0,0018. Zie volgende voetnoot voor bronverwijzing bij deze aantallen.

De inschatting van het totaal aantal VOG-plichtige personen is zoals reeds toegelicht 653.433. 653.433 x 0,0018

= 1.166.

47 Voor berekening van het totaal aantal leerlingen zijn de volgende websites geraadpleegd in maart 2026.

Voor het aantal leerlingen in het primair onderwijs: https://www.ocwincijfers.nl/sectoren/primair-onderwijs/leerlingen/aantallen-ontwikkeling-aantal-leerlingen#:~:text=In%20het%20basisonderwijs%20(bao)%20zijn,naar%2033.212%20leerlingen%20in%202024.

Voor het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs: https://www.ocwincijfers.nl/sectoren/voortgezet-onderwijs/leerlingen/leerlingenaantallen-voortgezet-onderwijs

Voor het aantal leerlingen in Caribisch Nederland: https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/84732NED.

Totaal    € 1.296

Net als bij de invoering van continue screening wordt uitgegaan van een tijdsinschatting van 2 uur voor de kennisname van de nieuwe wet.

Schoolbesturen in Caribisch Nederland: structurele jaarlijkse regeldrukkosten

ActiviteitTijd (uren)(Uur)prijsRegeldruk-kosten per bestuurAantal besturenTotaal
Nieuwe VOG-aanvragen klaarzetten0,5€ 54€ 2712€ 324
Totaal    € 324

De structurele regeldrukkosten voor schoolbesturen in Caribisch Nederland komen neer op de kosten voor het tweejaarlijks klaarzetten van nieuwe VOG-aanvragen voor alle VOG-plichtige personen.

8.           Toezicht en handhaving

Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de toepassing en naleving van wet- en regelgeving. De inspectie houdt daar toezicht op en treedt waar nodig handhavend op. De inspectie geeft in haar onderzoekskaders uitwerking aan de manier waarop dit toezicht is ingericht. Ten aanzien van het toezicht op de VOG op de BES-eilanden zal de inspectie aparte uitwerking geven die recht doet aan de periodieke VOG-screening die daar zal gelden.

De inspectie houdt op dit moment reeds toezicht op het naleven van de wettelijke plichten die op het bevoegd gezag rusten ten aanzien van de VOG. Met dit wetsvoorstel krijgt de inspectie een tweeledige taak ten aanzien van het toezicht op de continue screening in het funderend onderwijs. Ten eerste heeft de inspectie de mogelijkheid om tijdens haar reguliere toezichtsactiviteiten te controleren of personen die een VOG-plicht hebben op juiste wijze staan ingeschreven en gekoppeld zijn in het personenregister.

Hiertoe heeft de inspectie toegang tot het register continue screening funderend onderwijs. Dat vraagt dat besturen registreren wie er een VOG heeft, net zoals ze op dit moment al VOG’s moeten bewaren. Ten aanzien van de groep vrijwilligers op wie de VOG-plicht van toepassing wordt, zal dit nieuw zijn. Ten tweede heeft de inspectie een specifieke rol als het gaat om de personen van wie screeningsautoriteit Justis signaleert dat er een risico bestaat binnen de uitoefening van de functie. Als Justis een signaalbrief met daarin een kennisgeving naar DUO verstuurt, wordt de inschrijving van deze persoon in het register continue screening funderend onderwijs geschorst. Vervolgens stelt DUO de persoon in kwestie en de bevoegde gezagen aan wie deze persoon is gekoppeld hierover in kennis. DUO informeert de inspectie dat een dergelijke kennisgeving is verzonden.

Voorgesteld wordt om met dit wetsvoorstel te regelen dat de inspectie altijd contact opneemt met het bevoegd gezag als er sprake is van een melding vanuit DUO dat er een kennisgeving is uitgegaan. Het bevoegd gezag wordt gevraagd om via het register de inspectie te informeren over de ontvangst van de kennisgeving. Afhankelijk van deze bevestiging kan de inspectie beoordelen op welke termijn dit contact plaats moet vinden. Niet in alle gevallen zal dat direct nodig zijn. Indien het bevoegd gezag bevestigt de kennisgeving ontvangen te hebben, weet de inspectie dat het bevoegd gezag start met het uitvoeren van de verplichtingen die voortvloeien uit de kennisgeving. Bij het uitblijven van deze bevestiging zal de inspectie in principe altijd na één dag contact opnemen met het bevoegd gezag. Indien de bevestiging wel ontvangen wordt, zal de inspectie eveneens contact opnemen met het bevoegd gezag om informatie in te winnen over de wijze waarop de wettelijke plicht is uitgevoerd en hoe dat is verlopen. Dat zal

niet altijd direct de volgende dag zijn. Dit wordt nader uitgewerkt in de onderzoekskaders van de inspectie.

Ten aanzien van Caribisch Nederland zal de inspectie middels de onderzoekskaders nader uitwerken op welke wijze er toezicht wordt gehouden op de VOG-plicht. Via de Regeling Jaarverslaglegging Onderwijs BES leggen bevoegde gezagen verantwoording of over de (tijdige) aanwezigheid van de VOG. Hiervoor zal gelden dat bevoegde gezagen op de BES-eilanden de registratie van de VOG-plichtigen zullen moeten uitbreiden met de in paragraaf 3.2. genoemde functionarissen.

Het wetsvoorstel voorziet in een gedifferentieerde periode van inwerkingtreding. DUO selecteert over een periode van twee jaar per tijdvak van vier maanden bevoegde gezagen. Het geselecteerde bevoegd gezag heeft vervolgens vier maanden de tijd om voor alle VOG-plichtigen onder de nieuwe wetgeving een VOG aan te vragen en deze te laten registreren in het register onderwijspersoneel. Na afloop van de periode van vier maanden zijn de verplichtingen die voortvloeien uit dit wetsvoorstel van kracht voor het aangewezen bevoegd gezag. Inschrijving en koppeling geschiedt conform beschreven in de paragraaf ‘Kern van het voorstel’ hierboven. De inspectie zal gedurende de overgangsperiode aandacht besteden aan de nieuwe regelgeving.

9.           Gevolgen voor de uitvoering

Naast bovengenoemde gevolgen voor de inspectie voorziet de regering ook uitvoeringsgevolgen voor DUO, Justid, Justis. DUO is de beoogde beheerder van het register. Het ministerie van OCW zal DUO dan ook verzoeken om het register te bouwen en technisch te beheren conform de in dit wetsvoorstel gestelde eisen. Ook zal DUO verzocht worden om te voorzien in klantcontact met alle bevoegde gezagen en ingeschrevenen, bijvoorbeeld door hen jaarlijks te wijzen op hun koppelingen.

Ten behoeve van de continue screening zal Justid zeer regelmatig een extractie maken van alle personen met een mutatie op het JDS. Deze extractie zet Justid in een beveiligde omgeving waar deze dataset samenkomt met een extractie van de personen uit het register. Wanneer er een match is, stuurt Justid hierover een notificatie naar Justis. Justis zal vervolgens beoordelen of er een signaalbrief naar DUO moet worden verstrekt. Hierbij hanteert Justis hetzelfde beoordelingskader als bij een reguliere VOG-aanvraag. Indien Justis een signaalbrief verstrekt aan DUO informeert DUO zoals reeds toegelicht het bevoegd gezag, de inspectie en de betrokkene zelf. Als de persoon besluit om een nieuwe VOG aan te vragen, zal Justis deze aanvraag beoordelen.

10.  Financiële gevolgen

Dit wetsvoorstel heeft gevolgen voor de rijksbegroting. Er zijn middelen gereserveerd op basis van een voorlopige financiële inschatting. De incidentele kosten bedragen in totaal cumulatief ca. € 34 mln., verdeeld over de jaren 2027 t/m 2032. De structurele kosten betreffen de kosten van DUO, Justis, Justid en de inspectie en bedragen ca. € 1,9 mln. per jaar. De gereserveerde middelen staan in onderstaande tabel weergegeven. De middelen staan gereserveerd op artikel 3 van de begroting van OCW. De genoemde bedragen zullen naar verwachting nog wijzigen omdat er is gewerkt met schattingen van de uitvoeringskosten en het aantal VOG-plichtige personen.

Bedragen x € 1.0002026202720282029203020312032Struc.
Incidenteel01.6121.6125.7999.9879.9874.993 
Structureel0009601.9191.9191.9191.919
Totaal01.6121.6126.75911.90611.9066.9121.919

11.        Evaluatie


Dit wetsvoorstel wordt zeven jaar na de volledige inwerkingtreding van het wetsvoorstel geëvalueerd. De evaluatie biedt een ankerpunt om de doeltreffendheid en effectiviteit van deze maatregelen te beoordelen ten opzichte van de gestelde doelen:

  1. Relevante strafbare feiten worden ook gedurende een dienstverband altijd betrokken bij de vraag of iemand in het onderwijs mag (blijven) werken.
  2. Het is voor iedereen die duurzaam verbonden is aan een school altijd mogelijk om tijdig een VOG te overleggen.
  3. Er is effectief toezicht op het bevoegd gezag bij het voldoen aan de VOG-verplichting.

Dit wordt gebruikt om te bepalen of de maatregelen het gewenste effect hebben gehad en of er nog aanpassingen of aanvulling wenselijk zijn. Deze bepaling betreft alle onderdelen van dit voorstel. Hierbij zal specifiek aandacht worden besteed aan de effectieve invulling van het toezicht en de wijze waarop de periodieke VOG-screening voor de BES-eilanden functioneert.

12.        Advies en consultatie

PM

13.        Overgangsrecht en inwerkingtreding

Het wetsvoorstel treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepaling tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Beoogd wordt om het gehele wetsvoorstel per 1 augustus 2029 in werking te laten treden.

Het wetsvoorstel voorziet in een gefaseerde invoering. In verband met de capaciteit van de betrokken uitvoeringsorganisaties is het onmogelijk om iedereen die werkzaam is binnen het funderend onderwijs gelijktijdig een nieuwe VOG te laten aanvragen. Met de overgangsregeling wordt dan ook allereerst geregeld dat de huidige bepalingen van toepassing blijven. Gedurende een periode van twee jaar zal de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap telkens (groepen van) bevoegde gezagen aanwijzen waarop de continue screening van toepassing wordt.

Op het moment dat een bevoegd gezag wordt aangewezen, moet hij ervoor zorgen dat hij binnen vier maanden voldoet aan de wettelijke bepalingen zoals opgenomen in dit wetsvoorstel. In de praktijk betekent dit dat het bevoegd gezag ervoor zorg moet dragen dat de aan haar school verbonden personen zich inschrijven in het register en een nieuwe VOG aanvragen. Daarna kan het bevoegd gezag de benodigde koppeling leggen. De nieuwe VOG is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat er ook wordt ‘teruggekeken’ naar relevante strafbare feiten op het JSD, en daarmee enkel personen kunnen worden ingeschreven in het register die geen relevante strafbare feiten op het JSD hebben staan. Daarna wordt er continue gescreend.

De hernieuwde VOG-aanvraag zal tot gevolg hebben dat er bij aanvang van dit wetsvoorstel enkele personen hun werkzaamheden moeten stilleggen omdat hen geen VOG wordt verstrekt.

Ten aanzien van de BES-eilanden zal de regering bij het vaststellen van de inwerkingtredingsdatum waarborgen dat er voldoende tijd zit tussen de vaststelling en publicatie van de wet en de inwerkingtreding. In de praktijk zal dat betekenen dat het wetsvoorstel op Caribisch Nederland op z’n vroegst vier maanden na publicatie in werking kan treden. Daarmee wordt de bevoegde gezagen in Caribisch Nederland voldoende tijd geboden om zich voor te bereiden op de inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Zij zullen zich daarbij immers ervan moet vergewissen dat zij van al hun medewerkers een VOG hebben die niet ouder is dan twee jaar en waar nodig hun medewerkers moeten instrueren om een nieuwe VOG aan te vragen.

II.  Artikelsgewijs


Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen

In de begripsbepalingen is opgenomen dat in het Wetsvoorstel register continue screening funderend onderwijs, onder ‘bevoegd gezag’, ook het samenwerkingsverband wordt verstaan. Hiervoor is gekozen omdat het samenwerkingsverband in dit wetsvoorstel dezelfde bevoegdheden en verplichtingen heeft als het bevoegd gezag, zoals de toegang tot het register en de koppeling van ingeschrevenen in het register. Zie in dit kader ook de artikelsgewijze toelichting bij de voorgestelde artikelen 3b, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs, 3b, zevende lid, van de Wet op de expertisecentra en 7.3a, zevende lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 2. Register continue screening funderend onderwijs

Dit artikel regelt de instelling van het Register continue screening funderend onderwijs.

In het tweede lid is de zorg voor het beheer van het register opgedragen aan de minister. In de praktijk zal het beheer van het register worden uitgevoerd door DUO. Expliciet wordt vastgelegd dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verwerkingsverantwoordelijke is in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.

Artikel 3. Doel

Het register is opgezet om het mogelijk te maken om alle personen die in het register zijn ingeschreven continu te screenen op veranderingen in de justitiële documentatie. Hiermee wordt beoogd de veiligheid van leerlingen in het funderend onderwijs beter te kunnen waarborgen. De gegevens in het register kunnen niet voor andere doeleinden gebruikt worden.

Artikel 4. Continue screening

Over de personen die zijn ingeschreven in het register vindt op voortdurende basis uitwisseling van gegevens plaats tussen de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Justitie en Veiligheid, waarbij de gegevens van de personen in het register vergeleken worden met de meest actuele justitiële en strafvorderlijke gegevens. Het betreft daarbij het naast elkaar leggen van de lijst met ingeschreven personen in het register en de eventuele mutaties in de justitiële documentatie. De Minister van Justitie en Veiligheid (in de praktijk: Justid) controleert of er nieuwe gegevens – mutaties – zijn in de justitiële documentatie van de ingeschrevenen. Indien er sprake is van een mutatie in de justitiële documentatie van een ingeschrevene kijkt Justis of er reden is om te vermoeden dat de ingeschrevene niet langer voldoet aan de vereisten voor het afgeven van de VOG. Indien daar sprake van is, stuurt Justis een signaalbrief aan de Minister van OCW. Deze signaalbrief vormt de basis voor de beoordeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid. Het sturen van de signaalbrief is feitelijk een verstrekking van justitiële en strafvorderlijke gegevens. Daartoe zal een verstrekkingsgrondslag worden opgenomen in Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Hoofdstuk 2. Het register continue screening funderend onderwijs Artikel 5. Inschrijving

Dit artikel regelt de inschrijving in het register. Iedereen kan een verzoek doen tot

inschrijving in het register. Om te kunnen worden ingeschreven dienen gegevens ten behoeve van identificatie te worden overgelegd, waaronder in ieder geval het BSN. Bij algemene maatregel van bestuur zal nader worden omschreven welke overige gegevens ten behoeve van de identificatie dienen te worden verstrekt. Daarbij moet gedacht worden aan gegevens als naam, contactgegevens en geboortedatum. Zodra de

benodigde gegevens zijn overgelegd, vindt inschrijving in het register plaats. Vervolgens dient de ingeschrevene een VOG te verstrekken, die is afgegeven na het moment van inschrijving. In de praktijk houdt dit in dat de ingeschreven het kenmerk van de afgegeven VOG invoert in het register. Hiervoor heeft de ingeschrevene maximaal vier maanden de tijd. Indien niet binnen vier maanden een kenmerk van een VOG is ingevoerd, wordt de inschrijving in het register beëindigd op grond van artikel 8, eerste lid, onderdeel a. Bij inschrijving in het register kunnen kosten in rekening kunnen worden gebracht. De hoogte van de kosten zal worden vastgesteld bij ministeriële regeling.

Artikel 6. Koppeling

Met dit artikel wordt de koppeling geregeld van het bevoegd gezag met de ingeschrevene waar zij een (arbeids)relatie mee heeft. Met de koppeling wordt de relatie tussen de ingeschrevene en het bevoegd gezag in het register zichtbaar. Dit is nodig voor de eventuele afhandeling van meldingen over de ingeschrevenen die verbonden zijn aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag verzoekt de Minister van OCW de ingeschrevene aan haar te koppelen en verstrekt hiertoe het burgerservicenummer van de ingeschrevene. Indien de ingeschrevene het verzoek tot koppeling heeft bevestigd, wordt deze in beginsel gekoppeld aan het bevoegd gezag. In het vierde lid zijn de situaties geregeld, waarin de Minister geen koppeling legt tussen het bevoegd gezag en de ingeschrevene. Zo wordt er geen koppeling gelegd indien de ingeschrevene nog geen VOG heeft overgelegd na inschrijving of wanneer de inschrijving in het register op grond van artikel 7, eerste lid, is geschorst. Indien geen koppeling met het bevoegd gezag is gelegd, mag het bevoegd gezag de ingeschrevene op grond van artikel 3b, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 3b, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 7.3a, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 geen werkzaamheden laten uitvoeren.

In het vijfde lid is geregeld dat zowel de ingeschrevene als het bevoegd gezag kan verzoeken de koppeling te beëindigen. Twee weken na het verzoek wordt de ontkoppeling doorgevoerd. Daarmee wordt geborgd dat er niet ontkoppeld is voordat de werkzaamheden zijn beëindigd. In het zesde lid is daarom ook geregeld dat het bevoegd gezag en de ingeschrevene onverwijld worden geïnformeerd over het verzoek tot ontkoppeling. Dit stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om te borgen dat de werkzaamheden tijdig worden stilgelegd.

In het zevende lid is geregeld dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een keer per jaar een overzicht verstrekt aan de ingeschrevene en het bevoegd gezag over diens koppelingen. Dit houdt in dat de ingeschrevene een overzicht krijgt van alle bevoegd gezagen waaraan hij gekoppeld is en het bevoegd gezag van de ingeschrevenen waaraan hij gekoppeld is. Het doel hiervan is de hygiëne van het register te bewaken en ervoor te zorgen dat bevoegde gezagen en ingeschrevenen zich ontkoppelen zodra er geen reden meer bestaat voor de koppeling.

Artikel 7. Kennisgeving en schorsing

Met dit artikel wordt voorzien in de procedure indien er sprake is van een vermoeden dat een ingeschrevene niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG. In de basis zal de minister van OCW tot deze beoordeling komen op basis van de signaalbrief van DUO. Het versturen van die signaalbrief is een verstrekking uit de justitiële documentatie, waarvoor een verstrekkingsgrondslag wordt opgenomen in het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegeven. De inschrijving van de ingeschrevene wordt indien een dergelijk vermoeden ontstaat onverwijld geschorst. Dit heeft tot gevolg dat er geen nieuwe koppelingen meer met de ingeschrevene kunnen worden gelegd. De minister stelt eveneens de ingeschrevene en het bevoegd gezag in kennis van de schorsing. Deze kennisgeving bevat de identificerende gegevens over de ingeschrevene zodat het bevoegd gezag weet wie het betreft. De kennisgeving heeft, gegeven de bepalingen in artikel 3b, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 3b,

derde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 7.3a, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, tot gevolg dat de ingeschrevene zijn werkzaamheden op de school stil zal moeten leggen. De inspectie wordt over de kennisgeving geïnformeerd. Om zijn werkzaamheden weer te kunnen hervatten zal de ingeschrevene een nieuwe VOG moeten aanvragen. Indien de VOG wordt verleend en de ingeschrevene deze overlegt, wordt de schorsing van de inschrijving onverwijld opgeheven. De afgiftedatum van de VOG moeten liggen na het moment van kennisgeving, zodat zeker is dat de mutatie die aanleiding was voor het doen uitgaan van de melding betrokken is bij de afgifte van de nieuwe VOG. Zodra de schorsing wordt opgeheven krijgen de ingeschrevene en het bevoegd gezag hiervan een melding. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vernietigt op dat moment ook de melding van de Minister van Justitie en Veiligheid die aanleiding was voor de schorsing. Met het verstrekken van de VOG is immers aangetoond dat er niet langer reden bestaat om te vermoeden dat de ingeschrevene niet voldoet aan de vereisten voor afgifte van een VOG. Er bestaat dan ook niet langer noodzaak tot het bewaren van de melding.

Tot slot is geregeld dat als de ingeschrevene niet aan een bevoegd gezag is gekoppeld, alleen hij een melding van schorsing en de opheffing van de schorsing ontvangt. Er bestaat dan geen noodzaak anderen te informeren aangezien de persoon in principe geen werkzaamheden verricht in het funderend onderwijs op dat moment, en ook niet meer gekoppeld kan worden aan een bevoegd gezag zo lang hij geen nieuwe VOG overlegt.

Artikel 8. Beëindiging van de inschrijving

Geregeld wordt wanneer en op welke wijze de inschrijving beëindigd wordt.

Onderdeel a ziet op de situatie dat de ingeschrevene vier maanden na de inschrijving in het register geen VOG heeft verstrekt, zoals bedoeld in artikel 5, vierde lid.

Onderdeel b ziet op de situatie dat de ingeschrevene vier maanden niet gekoppeld is aan een bevoegd gezag. Op grond van het tweede lid kan deze termijn met negen maanden verlengd worden, waarmee is voorzien in de mogelijkheid dat een ingeschrevene om wat voor reden dan ook, bijvoorbeeld een sabbatical, voor de periode van maximaal dertien maanden ingeschreven kan zijn zonder aan een school verbonden te zijn.

Onderdeel c betreft de situatie dat de inschrijving van de ingeschrevene na een melding, als bedoeld in artikel 4, derde lid, geschorst is en de ingeschrevene opnieuw een VOG moet aanvragen. Indien er binnen vier maanden geen nieuwe VOG is verstrekt, wordt de ingeschrevene uitgeschreven uit het register.

Onderdeel d regelt de situatie dat de ingeschrevene zelf een verzoek doet tot uitschrijving uit het register. De ingeschrevene moet dan wel zijn ontkoppeld van alle bevoegd gezagen. Dit vereiste is gesteld om te voorkomen dat iemand door uitschrijving continue screening kan ontlopen. Uiterlijk na twee weken wordt vervolgens de inschrijving in het register beëindigd.

Onderdeel e regelt ten slotte dat de inschrijving binnen twee weken beëindigd wordt indien er een kennisgeving is van het overlijden.

Direct na beëindiging van de inschrijving, ongeacht op welke grond dat gebeurd, worden de gegevens van de ingeschrevene vernietigd.

Artikel 9. Toegang

Geregeld wordt wie toegang heeft tot het register en met welk doel deze personen het register kunnen raadplegen. Toegang tot het personenregister hebben uitsluitend de ingeschrevene zelf, door het bevoegd gezag geautoriseerde personen, door de inspectie geautoriseerde personen en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

De ingeschrevene kan het register raadplegen ten behoeve van het inzien van de gegevens die over hem zijn opgenomen.

Het bevoegd gezag kan het register raadplegen in verband met het verzoek tot koppeling die hij moet leggen met de aan zijn school verbonden personen en het inzien van gegevens van personen die aan het bevoegd gezag zijn gekoppeld. Het betreft hier de gegevens ten behoeve van de identificatie en het gegeven of de ingeschreven al dan niet geschorst is. De inspectie heeft toegang tot het register voor het uitoefenen van

haar toezichtstaak, zoals neergelegd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a van de Wet op het Onderwijstoezicht. Op grond van deze bepaling houdt de inspectie toezicht op de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften. Hieruit volgt dat de inspectie er toezicht op dient te houden dat iedereen die aan een bevoegd gezag gekoppeld dient te zijn om zijn functie uit te mogen oefenen ook daadwerkelijk is gekoppeld. Ook dient de inspectie er op toe te zien dat het bevoegd gezag, in geval van een kennisgeving dat een aan haar gekoppeld persoon een nieuwe VOG aan dient te vragen, ook daadwerkelijk op non-actief heeft gesteld, zolang een nieuwe VOG nog niet is verstrekt en de schorsing is opgeheven.

Ten slotte heeft ook de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap toegang tot het register ten behoeve van zijn taken op grond van deze wet. Het gaat dan onder meer om het beheer van het register, het regelen van de inschrijving, het leggen van koppelingen en het doen uitgaan van de kennisgeving.

In het tweede lid wordt voorgeschreven dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de autorisatie van de medewerkers die onder het gezag van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vallen voor de toegang tot het register. Op deze wijze wordt verzekerd dat persoonsgegevens slechts worden verwerkt voor zover dit noodzakelijk is voor de taakuitoefening van de betrokken medewerkers.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de toegang tot de gegevens. Gedacht kan worden aan regels over welke gegevens inzichtelijk zijn voor de in het eerste lid genoemde personen en op welke wijze de toegang feitelijk vorm krijgt.

Hoofdstuk 3. Wijziging sectorwetten

Artikel 10, onderdelen B, C en E, artikel 11, onderdelen, B, C en E, en artikel 12, onderdeel B

Met deze wijziging wordt geregeld dat onderwijs en onderwijsondersteunende werkzaamheden slechts worden gegeven door degene die onvoorwaardelijk is ingeschreven in het register. Dit houdt in dat de betrokkene ingeschreven moet zijn in het register en een VOG moet hebben overlegd. De betrokkene mag ook niet geschorst zijn. In beide gevallen is de inschrijving immers niet onvoorwaardelijk. Daarnaast wordt geborgd dat tot directeur of adjunct-directeur eveneens enkel degene wordt benoemd die onvoorwaardelijk is ingeschreven in het register (WPO en WEC). In het voortgezet onderwijs geldt dat elk personeelslid van de school onvoorwaardelijk moet zijn ingeschreven in het register om te kunnen worden benoemd (WVO 2020).

In de praktijk zal deze bepaling weinig rechtstreekse werking hebben. Het bevoegd gezag mag immers geen personen werkzaamheden laten verrichten die niet aan het bevoegd gezag gekoppeld zijn in het register en daarvoor is een onvoorwaardelijke inschrijving nodig. De regering hecht echter waarde aan de rechtstreeks op de betrokkene rustende verplichting. Weergegeven wordt daarmee dat de integriteit ook een eigen verantwoordelijkheid is van de leerkracht, de onderwijsondersteuner en/of de (adjunct-)directeur. Besloten is daarom om deze norm te behouden. Met de introductie van de continue screening komt de bepaling dat de VOG die personeelsleden moeten overleggen slechts zes maanden oud mag zijn, te vervallen.

Artikel 10, onderdeel D, artikel 11, onderdeel D, artikel 12, onderdeel C Voorgesteld artikel 3b van de Wet op het primair onderwijs, artikel 3b van de Wet op de Expertisecentra en artikel 7.3a van de Wet voortgezet onderwijs 2020

Eerste lid

Het bevoegd gezag dient ervoor te zorgen dat alle personen genoemd in het eerste lid aan haar zijn gekoppeld, voor zij werkzaamheden voor hem verrichten (zie het tweede lid). Omdat iemand alleen gekoppeld kan worden aan het bevoegd gezag als die persoon is ingeschreven in het register betekent dit de facto ook een inschrijfplicht in het register. De personen die moeten zijn gekoppeld aan het bevoegd gezag betreffen deels

personen die onder de huidige wetgeving ook over een VOG moeten beschikken en deels personen die hier nu nog niet over hoeven te beschikken. Hieronder zal per categorie een toelichting worden gegeven. Zie ook paragraaf 3.2. van het algemeen deel van deze toelichting. Daarbij wordt opgemerkt dat onderdeel f een vangnetbepaling is en een persoon in meerdere categorieën tegelijk kan vallen. Er is echter slechts één koppeling met het bevoegd gezag nodig.

Onderdeel a

Alle personeelsleden die op grond van artikel 1 van de WPO, artikel 1 van de WEC en artikel 1.1. van de WVO 2020 onder het personeelsbegrip vallen, dienen zich te koppelen aan het bevoegd gezag waar zij een arbeidsrelatie mee hebben.

Onderdeel b

Sommige leden van het bevoegd gezag vallen al onder het personeelsbegrip van artikel 1 van de WPO. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om leden die zijn benoemd door een raad van toezicht en beschikken over een arbeidsovereenkomst. Voor de overige leden van het bestuur geldt dat zij op grond van onderdeel b gekoppeld moeten zijn aan het bevoegd gezag.

Onderdeel c

Degenen die de functie van (intern) toezichthouder uitoefenen, bedoeld in artikel 17b, dienen op grond van onderdeel c ook gekoppeld te zijn aan het bevoegd gezag en zich daarmee in te schrijven in het register.

Onderdeel d

In de onderwijswetgeving is geborgd dat studenten die in opleiding zijn tot leraar op scholen in de gelegenheid worden gesteld om daarvoor de noodzakelijke ervaring op te doen op school. Op grond van dit onderdeel dienen deze stagiairs ook in het register gekoppeld te worden aan het bevoegd gezag.

Onderdeel e

Indien het bevoegd gezag het schoolgebouw ter beschikking stelt aan een particuliere onderwijsaanbieder om tijdens of aansluitend op de onderwijstijd bijles te verzorgen, dient het bevoegd gezag reeds nu te borgen dat degenen die het bijlesonderwijs verzorgen, beschikken over een VOG. Hiermee blijft deze verplichting behouden en dienen ook deze personen in het register aan het bevoegd gezag gekoppeld te worden. Indien de bijles niet in het schoolgebouw plaatsvindt, maar wel onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, dient beoordeeld te worden of degene die het bijlesonderwijs verzorgt, dit structureel doet en daarbij zonder toezicht van een andere gekoppelde in aanraking komt met leerlingen, en daarmee op grond van onderdeel f gekoppeld dient te zijn aan het bevoegd gezag.

Onderdeel f

Geregeld wordt dat personen die onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag op structurele basis werkzaamheden verrichten en daarbij zonder toezicht van een andere gekoppelde in aanraking komen met leerlingen eveneens over een VOG moeten beschikken. Of werkzaamheden ‘op structurele basis’ plaatsvinden, hangt met name samen met de mate van voorzienbaarheid en minder met de daadwerkelijke frequentie van de inzet van de betrokkene. Structureel kan zowel zijn elk jaar een keer, als tweewekelijks. De ouder die toevalligerwijs zich – achteraf bezien – in een korte periode meerdere malen vrijwillig inzet op de school is niet structureel werkzaam. Het is bijvoorbeeld voorstelbaar dat een ouder in een maand tijd komt helpen met luizenpluizen, het schoolreisje begeleidt en assisteert bij juffendag. Hoewel de betrokken ouder dan in een korte tijd regelmatig op de school is geweest, is de inzet niet van tevoren voorzienbaar.

‘Zonder toezicht van een andere gekoppelde in aanraking komen met leerlingen’ houdt in dat de betrokkene zonder begeleiding van een ander gescreend persoon toezicht houdt op leerlingen. Het toezicht houden tijdens de middagpauze als overblijfouder valt hier dus onder, het onder begeleiding van de leerkracht in het klaslokaal helpen bij de knutselmiddag niet. Onder deze categorie personen vallen bijvoorbeeld ook de leraren godsdienstonderwijs die niet aan de school verbonden zijn, indien zij hun werkzaamheden structureel verrichten en daarbij zonder toezicht van een andere gekoppelde in aanraking komt met leerlingen. Indien er sprake is van toezicht door twee personen die onder onderdeel f vallen, dient ten minste een van deze personen gekoppeld te zijn. Met dit onderdeel wordt feitelijk voorzien in een vangnetbepaling.

Hoewel de grootste doelgroep die op basis van deze bepaling gescreend zal moeten worden naar verwachting van de regering bestaat uit vrijwilligers die helpen op de school is de bepaling daar niet toe beperkt. Gedacht kan bijvoorbeeld ook worden aan personen die via een externe partij in opdracht van de school een lessenreeks komen verzorgen, al dan niet onder lestijd. De bepaling ‘onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag’ moet in deze zin dan ook breed worden uitgelegd. Aangenomen mag worden dat daar in ieder geval sprake van is indien de activiteit door het bevoegd gezag wordt bekostigd. Maar ook als ouders een bijdrage voor een activiteit betalen kan er sprake zijn van verantwoordelijkheid indien de activiteit door het bevoegd gezag wordt georganiseerd.

Tweede lid

In het tweede lid is geregeld dat de personen genoemd in het eerste lid pas met hun werkzaamheden mogen starten als zij gekoppeld zijn aan het bevoegd gezag. Dit houdt in dat een persoon die niet gekoppeld is in het geheel geen werkzaamheden mag verrichten, ook niet werkzaamheden waarbij er geen contact is met leerlingen.

Derde, vierde en vijfde lid

Met deze leden wordt voorzien in het handelingskader voor het bevoegd gezag indien er sprake is van een kennisgeving op grond van de Wet register continue screening funderend onderwijs. Na ontvangst van de kennisgeving legt het bevoegd gezag de werkzaamheden van de betrokkene stil. Dit betreft alle werkzaamheden, ook werkzaamheden waar geen leerlingen bij betrokken zijn. Deze kunnen weer aanvangen nadat het bevoegd gezag een kennisgeving heeft ontvangen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat de schorsing in het register is opgeheven. Als een dergelijke kennisgeving binnenkomt, vernietigt het bevoegd gezag de oorspronkelijke kennisgeving. Daarmee wordt geborgd dat deze persoonsgegevens niet onnodig bewaard blijven. Indien de schorsing niet wordt opgeheven, kunnen de werkzaamheden niet worden hervat, en kan op enig moment – in ieder geval na de beëindiging van de inschrijving na vier maanden –geconcludeerd worden dat de werkzaamheden structureel moeten worden beëindigd. Afhankelijk van de relatie tussen het bevoegd gezag en de betrokkene, die anders is wanneer het een personeelslid, intern toezichthouder of vrijwilliger betreft, kan de afhandeling daarvan langere tijd in beslag nemen. Ten behoeve daarvan kan de kennisgeving indien nodig bewaard worden. Na afronding wordt de kennisgeving alsnog zo snel mogelijk vernietigd.

Zesde lid

In het kader van de hygiëne van het register wordt geregeld dat het bevoegd gezag een verzoek tot beëindiging van de koppeling indient wanneer de gekoppelde niet langer werkzaamheden verricht voor het bevoegd gezag. Daarmee wordt voorkomen dat er onnodige koppelingen in het register zijn opgenomen.

Zevende en achtste lid

De bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op het samenwerkingsverband. Geregeld wordt dat personen die in opdracht van het samenwerkingsverband op een school werkzaamheden verrichten niet eveneens ook aan het bevoegd gezag gekoppeld hoeven worden als persoon die structureel werkzaamheden verricht en daarbij zonder

toezicht van een andere gekoppelde in aanraking komt met leerlingen. Daarmee wordt voorkomen dat personen die in dienst zijn van het samenwerkingsverband aan vele verschillende bevoegde gezagen moeten worden gekoppeld. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een orthopedagoog die vanuit het samenwerkingsverband op verschillende scholen leerlingen begeleid. Indien deze gekoppeld is aan het samenwerkingsverband hoeft diegene niet tevens ook aan de bevoegde gezagen van die scholen gekoppeld te zijn.

Artikel 10, onderdeel F, artikel 11, onderdeel F, artikel 12, onderdeel D Gegeven de invoering van het register continue screening funderend onderwijs is het niet langer noodzakelijk voor het bevoegd gezag om de afschriften van de VOG te bewaren.

Artikel 10, onderdelen G en H, artikel 11, onderdeel G, artikel 13, onderdeel E De bepaling over VOG-verplichtingen voor particuliere onderwijsaanbieders kan vervallen nu deze is opgenomen in de lijst van te koppelen personen. Hetzelfde geldt voor de verplichting tot het hebben van een VOG voor overblijfouders in het primair onderwijs.

Artikel 12, onderdeel E, artikel 13, onderdeel C

In Caribisch Nederland wordt in plaats van continue screening, periodieke VOG-screening ingevoerd. Met deze bepalingen wordt hierin voorzien.

Voorgesteld artikel 11.80a, eerste en tweede lid van de Wet voortgezet onderwijs 2020 In aansluiting bij de gebruikelijke structuur van de Wet voortgezet onderwijs 2020 wordt allereerst geregeld dat de bepalingen omtrent continue screening niet van toepassing zijn in Caribisch Nederland. Daarnaast wordt geregeld dat ieder personeelslid, conform de huidige bepaling, een VOG moet overleggen alvorens deze benoemd kan worden.

Voorgesteld artikel 11.80a, derde, vierde, vijfde en zesde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4a van de Wet primair onderwijs BES

In het eerste lid (WPO BES) en derde lid (WVO 2020) wordt de reikwijdte van de VOG-verplichting bepaald. Deze is gelijk aan de bepaling voor Europees Nederland. Zie voor een nadere toelichting daarop de toelichting bij het eerste lid van de voorgestelde artikelen 3b van de Wet op het primair onderwijs, 3b van de Wet op de expertisecentra en 7.3a van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

In het tweede lid (WPO BES) en vierde lid (WVO 2020) wordt vervolgens geregeld dat de VOG die overlegd wordt niet ouder mag zijn dan twee maanden en elke twee jaar geactualiseerd dient te worden. In het derde lid (WPO BES) en het vijfde lid (WVO 2020) wordt vastgelegd dat er geen werkzaamheden mogen worden verricht als er geen VOG is overlegd. Dit heeft zowel betrekking op de verstrekking van de VOG aan de start van de dienstbetrekking als op de tweejaarlijkse actualisatie. Indien de VOG niet tijdig wordt geactualiseerd, dienen de werkzaamheden te worden stilgelegd. Het bevoegd gezag dient het afschrift van de oude VOG te vernietigen zodra er een geactualiseerde VOG is overgelegd.

Artikel 13, onderdelen A, B, D en F

In aansluiting op de bepaling omtrent periodieke screening wordt geregeld dat de VOG niet ouder mag zijn dan drie maanden.

Artikel 14

Geregeld wordt dat de bepalingen rondom de continue screening ook van toepassing zijn op niet-bekostigde scholen in het voortgezet onderwijs. In het primair onderwijs geldt dit ook op grond van de plaatsing van het artikel in titel 1 van de Wet op het primair onderwijs.

Artikel 15

Voorzien wordt in een specifieke verplichting voor de inspectie ten aanzien van de wijze waarop toeziet op de naleving door het bevoegd gezag van de bepalingen rondom het op non-actief zetten van betrokkenen waar een kennisgeving over is uitgegaan. Hiertoe wordt geregeld dat de inspectie in deze gevallen altijd contact op neemt met het bevoegd gezag.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 16. Evaluatie

Deze bepaling voorziet in evaluatie van de bepalingen over de Wet register continue screening na zeven jaar.

Artikel 17. Invoering

Met de invoeringsbepalingen wordt allereerst geregeld dat de huidige VOG-bepalingen die met dit wetsvoorstel worden aangepast tot twee jaar na inwerkingtreding van toepassing blijven. Op grond van het vierde lid heeft een bevoegd gezag na aanwijzing door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vier maanden de tijd om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit dit wetsvoorstel. In de praktijk betekent dit dat het bevoegde gezag ervoor zorg moet dragen dat de aan zijn school verbonden personen zich inschrijven in het register en een nieuwe VOG aanvragen.

Daarna kan het bevoegd gezag de benodigde koppeling leggen. Wanneer deze vier maanden verstreken zijn, dient het bevoegd gezag aan de nieuwe bepalingen te voldoen.

Voor bevoegde gezagen die na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel bezig zijn met de procedure om een nieuwe school stichten, geldt dat zij zodra zij starten met het geven van onderwijs aan de verplichtingen met betrekking tot de continue screening moeten voldoen. Zij zullen dus niet worden aangewezen door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 18. Inwerkingtreding

Het wetsvoorstel treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepaling tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Beoogd wordt om het gehele wetsvoorstel per 1 augustus 2029 in werking te laten treden.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Judith Zs.C.M. Tielen

mail
Auteur

Kinderopvang-Wijzer

Volg mij
Andere artikelen
BSO locatie
Vorige

Het Sport Paleis ‘AVC Heracles’

VE locatie
Volgende

Kindercentrum Camelot

Volg ons op:

  • Facebook
  • LinkedIn
  • Instagram
  • X
  • Recensies
  • Meningen
  • Downloads
  • Over ons
  • FAQ
  • Contact
  • Privacybeleid
  • Cookie Policy
  • Childcare in the Netherlands
  • Berne-opfang yn Nederlân
  • Kinderbetreuung Niederlande
  • Garde d’enfants Pays-Bas
  • Îngrijirea copiilor în Olanda
  • Cuidado infantil en los Países Bajos
  • Opieka nad dzieckiem w Holandii
  • Догляд за дітьми в Нідерландах
  • ابحث عن الحضانة ورعاية ما بعد المدرسة
  • Language
Copyright 2026 — Kinderopvang - Wijzer. All rights reserved.
We use cookies on our website to give you the most relevant experience by remembering your preferences and repeat visits. By clicking “Accept All”, you consent to the use of ALL the cookies. However, you may visit "Cookie Settings" to provide a controlled consent.
Cookie SettingsAccepteer alles
Manage consent

Privacy Overview

This website uses cookies to improve your experience while you navigate through the website. Out of these, the cookies that are categorized as necessary are stored on your browser as they are essential for the working of basic functionalities of the website. We also use third-party cookies that help us analyze and understand how you use this website. These cookies will be stored in your browser only with your consent. You also have the option to opt-out of these cookies. But opting out of some of these cookies may affect your browsing experience.
Necessary
Altijd ingeschakeld
Necessary cookies are absolutely essential for the website to function properly. These cookies ensure basic functionalities and security features of the website, anonymously.
CookieDuurBeschrijving
cookielawinfo-checkbox-advertisement1 yearSet by the GDPR Cookie Consent plugin, this cookie is used to record the user consent for the cookies in the "Advertisement" category .
cookielawinfo-checkbox-analytics11 monthsThis cookie is set by GDPR Cookie Consent plugin. The cookie is used to store the user consent for the cookies in the category "Analytics".
cookielawinfo-checkbox-functional11 monthsThe cookie is set by GDPR cookie consent to record the user consent for the cookies in the category "Functional".
cookielawinfo-checkbox-necessary11 monthsThis cookie is set by GDPR Cookie Consent plugin. The cookies is used to store the user consent for the cookies in the category "Necessary".
cookielawinfo-checkbox-others11 monthsThis cookie is set by GDPR Cookie Consent plugin. The cookie is used to store the user consent for the cookies in the category "Other.
cookielawinfo-checkbox-performance11 monthsThis cookie is set by GDPR Cookie Consent plugin. The cookie is used to store the user consent for the cookies in the category "Performance".
CookieLawInfoConsent1 yearRecords the default button state of the corresponding category & the status of CCPA. It works only in coordination with the primary cookie.
PHPSESSIDsessionThis cookie is native to PHP applications. The cookie is used to store and identify a users' unique session ID for the purpose of managing user session on the website. The cookie is a session cookies and is deleted when all the browser windows are closed.
viewed_cookie_policy11 monthsThe cookie is set by the GDPR Cookie Consent plugin and is used to store whether or not user has consented to the use of cookies. It does not store any personal data.
Functional
Functional cookies help to perform certain functionalities like sharing the content of the website on social media platforms, collect feedbacks, and other third-party features.
Performance
Performance cookies are used to understand and analyze the key performance indexes of the website which helps in delivering a better user experience for the visitors.
Analytics
Analytical cookies are used to understand how visitors interact with the website. These cookies help provide information on metrics the number of visitors, bounce rate, traffic source, etc.
CookieDuurBeschrijving
_gasessionThe _ga cookie, installed by Google Analytics, calculates visitor, session and campaign data and also keeps track of site usage for the site's analytics report. The cookie stores information anonymously and assigns a randomly generated number to recognize unique visitors.
_ga_*1 year 1 month 4 daysGoogle Analytics sets this cookie to store and count page views.
_ga_QJ3CEG9M0B2 yearsThis cookie is installed by Google Analytics.
_gat_gtag_UA_*1 minuteGoogle Analytics sets this cookie to store a unique user ID.
_gat_gtag_UA_174313809_1sessionSet by Google to distinguish users.
_gidsessionInstalled by Google Analytics, _gid cookie stores information on how visitors use a website, while also creating an analytics report of the website's performance. Some of the data that are collected include the number of visitors, their source, and the pages they visit anonymously.
Advertisement
Advertisement cookies are used to provide visitors with relevant ads and marketing campaigns. These cookies track visitors across websites and collect information to provide customized ads.
Others
Other uncategorized cookies are those that are being analyzed and have not been classified into a category as yet.
CookieDuurBeschrijving
__wpdm_clientsessionNo description
CaptchasessionNo description available.
OPSLAAN & ACCEPTEREN
Aangedreven door CookieYes Logo
Deel

Facebook

LinkedIn

X

WhatsApp

Mastodon

E-mail

Telegram

Kopieer link
×