DAEB in de kinderopvang: een maatregel waar geen enkel kind iets aan heeft
De discussie over de DAEB-status (Dienst van Algemeen Economisch Belang) in de kinderopvang laait op. Staatssecretaris Nobel wil mogelijk de hele sector onder dit regime brengen. Dat klinkt sympathiek: betaalbare opvang, minder winstuitkeringen en meer zekerheid voor ouders.
Maar wie goed kijkt, ziet iets anders. De invoering van de DAEB lost geen enkel probleem op, sterker nog, ze creëert er alleen maar nieuwe. Het resultaat: geen enkel kind schiet er iets mee op.
Een onvoldragen plan zonder draagvlak
Staatssecretaris Nobel heeft de opzet van het nieuwe stelsel min of meer “in de groep gegooid”, zonder dat cruciale onderdelen zijn uitgewerkt of onderzocht, en zonder echte afstemming met de branche. Er is geen duidelijk beeld van de financiële gevolgen, de uitvoerbaarheid of de effecten op de beschikbaarheid van kindplaatsen.
Het gevolg laat zich raden: de sector buitelt over elkaar heen met voor- en tegenstanders. Van maatschappelijke stichtingen tot commerciële ondernemers, iedereen heeft een mening, maar niemand weet precies wat er nu echt op tafel ligt.
Niet bepaald een toonbeeld van goed bestuurderschap of zorgvuldig beleid, maar dit schijnt bij het kabinet Schoof een beetje de standaard te zijn.
Hoewel de staatssecretaris zegt dat de sector betrokken zal worden bij de verdere uitwerking en dat de invoering geleidelijk zal gaan, ontbreekt op dit moment een duidelijke impactanalyse of uitgewerkt plan. De basis is dus nog wankel.
Wat is de DAEB in de kinderopvang eigenlijk?
Met de invoering van de DAEB zou kinderopvang worden aangemerkt als een “dienst van algemeen economisch belang”. Dat betekent dat de overheid financiële steun mag geven zonder dat dit als verboden staatssteun geldt. In de praktijk komt dat neer op strikte regels:
- kinderopvangorganisaties moeten aantonen dat ze geen “overcompensatie” ontvangen,
- de winst mag niet hoger zijn dan een “redelijk rendement” (over eigen vermogen),
- er komen extra verantwoordings- en rapportageverplichtingen.
Het idee is dat publieke middelen zo uitsluitend worden besteed aan het kind en niet aan aandeelhouders. Maar dat klinkt beter dan het uitpakt.
Geen enkel extra kind krijgt toegang
Het nieuwe financieringsstelsel verandert niets aan wie toegang heeft tot opvang. De arbeidseis blijft gewoon bestaan: alleen werkende ouders (of ouders in een opleiding of traject naar werk) krijgen vergoedingen. Kinderen van niet-werkende ouders blijven dus buitenspel.
Er komt dus geen enkel extra kind bij dat recht heeft op kinderopvang. De kinderen die nu thuis zitten omdat hun ouders niet werken, blijven dat ook straks doen, zelfs als de overheid straks miljarden rechtstreeks naar kinderopvangorganisaties overmaakt.
Meer lasten, geen meerwaarde
Voor kinderopvangorganisaties betekent een DAEB-status vooral één ding: extra bureaucratie. De boekhouding moet worden gesplitst in DAEB- en niet-DAEB-activiteiten, accountants moeten extra controleren, er komen nieuwe regels over winst en toezicht, en het risico op discussies met de overheid groeit.
Dat kost tijd, geld en energie; middelen die nu juist nodig zijn om personeel te behouden, groepen open te houden en de kwaliteit te bewaken.
En wie betaalt die kosten uiteindelijk? Inderdaad: de ouders en de kinderen.
Excessieve winsten? Die bestaan nauwelijks
Eén van de argumenten voor de DAEB is dat er “excessieve winsten” in de sector zouden zijn. Maar volgens SEO Economisch Onderzoek en het Waarborgfonds Kinderopvang is de gemiddelde winst in de kinderopvang bescheiden. De meeste organisaties (zeker de kleine en middelgrote ondernemers) gebruiken hun winst om te investeren in gebouwen, personeel en continuïteit.
Er is dus geen bewijs voor structurele woekerwinsten. De DAEB pakt dus geen reëel probleem aan, maar voegt wel nieuwe risico’s toe.
Ondernemers haken af en dat schaadt ouders en kinderen
De kinderopvang is groot geworden door ondernemers die kansen zagen, locaties openden en durfden te investeren. Als de overheid dat ondernemerschap te veel aan banden legt, wordt het voor nieuwe aanbieders onaantrekkelijk om nog in te stappen. Zeker bij stijgende kosten en schaarste aan personeel is dat een riskante ontwikkeling.
Het gevolg ligt voor de hand: minder kindplaatsen, langere wachtlijsten en minder keuze voor ouders. Juist datgene wat de overheid zegt te willen verbeteren; toegankelijkheid en beschikbaarheid; komt zo verder onder druk te staan.
Voorschoolse educatie blijft een rommeltje
Een ander probleem blijft de versnipperde financiering van de voorschoolse educatie (VE). Gemeenten (342 x) hanteren allemaal hun eigen regels, tarieven en uren. Een peuter in Groningen krijgt iets anders dan een peuter in Gouda. De DAEB verandert daar niets aan.
Uit onderzoek naar kostprijzen (SEO – 2025) blijkt bovendien dat de VE-peuteropvang gemiddeld bijna € 1 per uur duurder is dan reguliere opvang. Dat komt onder meer door de vaste tijdsblokken van vier uur, de verplichte inzet van een VE-coach en de extra administratieve eisen die aan subsidievoorwaarden verbonden zijn. Ironisch genoeg krijgen deze kinderen vaak juist minder verzorging (bijvoorbeeld geen maaltijden of lunch) terwijl de opvang dus duurder is. En eigenlijk alleen voor ouders van kinderen die niet aan het arbeidsproces deelnemen.
Het blijft een lappendeken van lokale regelingen, terwijl de politiek blijft roepen dat “alle kinderen gelijke kansen moeten krijgen”.
Wat Nobel nog moet onderzoeken
Staatssecretaris Nobel heeft zijn plannen wel gepresenteerd, maar veel cruciale onderdelen zijn nog niet onderzocht. Hoewel de staatssecretaris spreekt over monitoring en een geleidelijke invoering, zijn de daadwerkelijke impactanalyses nog niet openbaar en ontbreken duidelijke scenario’s.
1. De echte kostprijs per type opvang
Er ligt een algemeen kostprijsonderzoek, maar dat zegt weinig over de grote verschillen tussen opvangvormen, regio’s en schaalgrootte. Zonder die kennis is het onmogelijk om eerlijke tarieven vast te stellen of de impact van de DAEB goed in te schatten.
2. De gevolgen voor toegankelijkheid en capaciteit
Wat gebeurt er als de opvang goedkoper wordt en de vraag plots met 30% stijgt? Er is geen enkel scenario uitgewerkt over personeelstekort, gebouwen of vergunningen. Zelfs de staatssecretaris erkent dat de vraag kan stijgen en dat dit tot knelpunten in personeel en capaciteit kan leiden.
3. De arbeidseis
De arbeidseis blijft grotendeels overeind. Er is geen onderzoek gedaan naar wat er zou gebeuren als ook kinderen van niet-werkende ouders recht krijgen op opvang. Zolang dat niet wordt doorgerekend, blijft het beleid half werk.
4. Gevolgen voor kleine en middelgrote ondernemers
De DAEB-regels brengen administratieve scheiding, toezicht en winstnormen mee. Voor kleine ondernemers kan dat onhaalbaar zijn. Nog niemand weet hoeveel aanbieders daardoor zullen stoppen, met directe gevolgen voor de beschikbaarheid van plekken.
5. De samenhang met voorschoolse educatie
De VE-financiering blijft een lappendeken van lokale regelingen. Er is geen plan om die ongelijkheid op te lossen, terwijl juist de DAEB die kloof kan vergroten.
6. Draagvlak en proces
De branche klaagt dat het voorstel zonder overleg is gepresenteerd. Er is wel overleg met organisaties, maar pas ná publicatie, waardoor het vooral damage control is in plaats van samenwerking. Ook is onduidelijk / twijfelachtig hoe de staatssecretaris tot deze uitkomst is gekomen, is het door gedegen onderzoek of een soort gemakszucht?
De kinderopvang wordt niet goedkoper
Hoewel het kabinet spreekt over een “bijna gratis kinderopvang”, wordt de opvang in werkelijkheid niet goedkoper.
Een deel van de ouders gaat een lagere eigen bijdrage betalen, maar dat geldt alleen voor gezinnen die nu nog niet op het maximum zitten en dat zijn vooral huishoudens met hogere inkomens. Voor werkende ouders met hoog inkomen daalt de eigen bijdrage aanzienlijk, maar de werkelijke kostprijs van kinderopvang daalt niet; die blijft gelijk of stijgt waarschijnlijk zelfs door extra administratieve lasten en personeelstekorten.
De enige groep die er echt fors op vooruitgaat, zijn ouders met hoge inkomens. Zij profiteren van de inkomensonafhankelijke vergoeding en kunnen er jaarlijks duizenden euro’s op vooruitgaan. Daarmee wordt de kinderopvang niet goedkoper, maar juist duurder om te leveren en de rekening komt indirect weer bij ouders en de overheid terecht.
Bovendien versterkt het grote netto inkomensvoordeel van de hoogste groepen hun koopkracht, wat doorwerkt naar hogere hypotheken en een verdere verhitting van de woningmarkt.
Veel papier, nul winst voor het kind
De DAEB in de kinderopvang is een beleidsmatige constructie zonder toegevoegde waarde voor ouders of kinderen. Er komen geen extra kinderen in beeld, geen extra uren, geen verbetering van kwaliteit, en geen eerlijker stelsel. Alleen meer regels, meer toezicht en meer kosten.
De kinderopvang in Nederland is al van hoge kwaliteit. Wat kinderen en ouders nu nodig hebben, is meer plek, meer mensen en minder papier, niet nóg een bureaucratische laag eroverheen.
De gegegevens in dit artikel zijn voor het laatst bijgewerkt en gecontroleerd op 1 november 2025