Gebruik en aanbod kinderopvang stabiel in derde kwartaal 2025
In het derde kwartaal van 2025 maakten gemiddeld 909.000 kinderen gebruik van kinderopvang met kinderopvangtoeslag. Dat is een lichte stijging ten opzichte van een jaar eerder, vooral door een toename in de buitenschoolse opvang. Ten opzichte van het vorige kwartaal is het gebruik tijdelijk lager, wat samenhangt met de zomervakantie. Het gemiddelde aantal opvanguren per kind bleef stabiel. Ook de gemiddelde uurprijzen en de betaalbaarheid van kinderopvang veranderden nauwelijks. Het aanbod aan dagopvang- en BSO-locaties bleef groeien, terwijl het aantal gastouderlocaties verder afnam. De arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen bleef hoog en vertoonde beperkte verschuivingen.
1. Gebruik kinderopvangtoeslag
Aantal kinderen naar kinderopvang
In het derde kwartaal van 2025 gingen gemiddeld 909.000 kinderen met kinderopvangtoeslag naar de kinderopvang. Ten opzichte van het derde kwartaal van 2024 is dit een stijging van 12.300 kinderen (+1,4%). Uitgesplitst per opvangvorm gingen er 380.000 kinderen naar de kinderdagopvang, 476.000 kinderen naar de buitenschoolse opvang (BSO) en 68.000 kinderen naar de gastouderopvang. Ten opzichte van het tweede kwartaal van 2025 nam het totale gebruik van kinderopvang met kinderopvangtoeslag af in het derde kwartaal, deze afname bedraagt 20.600 kinderen (-2,2%). Dit is een jaarlijks terugkerende ontwikkeling die samenhangt met de zomervakantie. De groei in het aantal kinderen dat gebruikt maakt van kinderopvangtoeslag in het derde kwartaal van 2025 ten opzichte van het derde kwartaal in 2024 wordt veroorzaakt door de stijging in het gebruik van buitenschoolse opvang van 20.000 kinderen (+4,4%). Het gebruik van kinderdagcentra en gastouderopvang nam af met respectievelijk 1.700 (-0,5%) en 7.400 (-9,9%) kinderen. De stijging in het gebruik van de BSO kan deels worden verklaard door de demografie.
Kinderen uit het relatief grote geboortecohort 2021 bereiken in 2025 de basisschool-/BSO-leeftijd.
Gebruik in uren
Het gemiddelde gebruik in uren per kind per maand is stabiel. Ten opzichte van het tweede kwartaal van 2025 is het gemiddeld totaal aantal uren licht gestegen (+0,5 uur per maand), maar ten opzichte van het derde kwartaal van 2024 is het gemiddeld aantal uur licht afgenomen (-0,7 uur per maand). Bij Kinderdagcentra zien we een gelijk patroon van een toename ten opzichte van het tweede kwartaal (+0,8 uur per maand) en een afname ten opzichte van een jaar eerder (-0,1 uur per maand). Ook bij buitenschoolse opvang zien we een gelijk patroon van een stijging ten opzichte van het tweede kwartaal van 2025 (+0,6 uur per maand) en een daling ten opzichte van een jaar ervoor (-0,1 uur per maand). Bij gastouderopvang 0- t/m 3-jarigen zien we een lichte daling ten opzichte van zowel het tweede kwartaal als het derde kwartaal van 2024 met (-0,1 uur per maand). Bij Gastouderopvang 4- t/m 11-jarigen zien we in het derde kwartaal van 2025 een lichte stijging ten opzichte van het tweede kwartaal van 2025 (+0,2 uur per maand) en een gelijkblijvend hoeveelheid uren per maand ten opzichte van het derde kwartaal van 2024.
| Tabel 1. Gemiddelde aantallen met kinderopvangtoeslag | ||||||||
| 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2024 Kw. 3 | 2025 Kw. 2 | 2025 Kw. 3 | |
| Aantal kinderen* (x 1.000) | ||||||||
| Totaal | 824 | 826 | 873 | 890 | 909 | 897 | 929 | 909 |
| Kinderdagcentra | 344 | 354 | 374 | 381 | 388 | 382 | 391 | 380 |
| Buitenschoolse opvang | 399 | 396 | 427 | 443 | 461 | 456 | 483 | 476 |
| Gastouderopvang 0- t/m 3-jarigen | 60 | 58 | 57 | 55 | 51 | 49 | 47 | 45 |
| Gastouderopvang 4- t/m 11-jarigen | 42 | 38 | 34 | 30 | 27 | 26 | 25 | 23 |
| Uren per kind per maand | ||||||||
| Totaal | 61,1 | 63,8 | 65,2 | 66,2 | 66,6 | 66,9 | 65,7 | 66,2 |
| Kinderdagcentra | 84,8 | 88,0 | 90,1 | 91,5 | 92,0 | 92,5 | 91,6 | 92,4 |
| Buitenschoolse opvang | 39,2 | 40,7 | 41,9 | 42,9 | 43,6 | 44,0 | 43,3 | 43,9 |
| Gastouderopvang 0- t/m 3-jarigen | 66,5 | 67,9 | 68,7 | 71,2 | 72,5 | 72,0 | 72,0 | 71,9 |
| Gastouderopvang 4- t/m 11-jarigen | 37,1 | 37,7 | 37,7 | 39,3 | 40,6 | 41,1 | 39,9 | 41,1 |
| Totale volume per maand (miljoenen uren) | ||||||||
| Totaal | 50,4 | 52,7 | 56,9 | 58,9 | 60,5 | 60,0 | 61,1 | 60,2 |
| Kinderdagcentra | 29,2 | 31,2 | 33,7 | 34,9 | 35,7 | 35,3 | 35,8 | 35,1 |
| Buitenschoolse opvang | 15,6 | 16,1 | 17,9 | 19,0 | 20,1 | 20,0 | 20,9 | 20,9 |
| Gastouderopvang 0- t/m 3-jarigen | 4,0 | 3,9 | 3,9 | 3,9 | 3,7 | 3,6 | 3,4 | 3,2 |
| Gastouderopvang 4- t/m 11-jarigen | 1,6 | 1,4 | 1,3 | 1,2 | 1,1 | 1,1 | 1,0 | 0,9 |
Bron: Dienst Toeslagen, cijferbeeld oktober 2025, bewerking Ministerie van SZW.
*Het totaal kinderen is groter dan de som der delen, doordat kinderen die zowel van centrumopvang als van gastouderopvang gebruikmaken, in het totaal slechts één keer zijn meegeteld.
Gebruik naar inkomensgroep
Onderstaande gegevens zijn gelijk aan de gegevens in de kwartaalrapportage over het gebruik van de kinderopvangtoeslag in het tweede kwartaal van 2025. Deze cijfers zullen jaarlijks worden aangepast, en niet per kwartaal zoals de andere cijfers in deze rapportage. De reden om de cijfers over het gebruik naar inkomensgroep per jaar te rapporteren is dat de cijfers over inkomen nog kunnen verschillen gedurende het lopende jaar. Cijfers uit het lopende jaar geven daarom niet altijd een betrouwbaar beeld.
De gegevens worden bijgehouden en gerapporteerd om meer zicht te krijgen op de ontwikkeling van het gebruik van kinderopvang onder verschillende inkomensgroepen. Een toename of afname van het gebruik onder een inkomensgroep kan erop wijzen dat het percentage huishoudens in deze inkomensgroep dat kinderopvang afneemt is gestegen of gedaald, er meer of minder ouders werken, en/of dat er meer of minder huishoudens in deze inkomensgroep zitten. Cijfers dienen daarom voorzichtig geïnterpreteerd te worden. Het aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvang is lager dan het aantal kinderen dat naar de opvang gaat, omdat er in één huishouden meerdere kinderen met kinderopvangtoeslag naar de kinderopvang kunnen gaan.
Onderstaande tabel geeft dit weer.
Zoals eerder werd gerapporteerd, is het aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvang in 2024 gestegen ten opzichte van 2023 (+12.800). Deze stijging is terug te zien in een stijging van alle inkomensgroepen, behalve de inkomens modaal tot 2x modaal.
| Tabel 2. Aantal huishoudens met kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen1 | |||||
| 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | |
| Aantal huishoudens (x 1.000) | |||||
| Totaal | 549,8 | 551,8 | 583,0 | 600,0 | 612,8 |
| Tot 100% Wml | 37,8 | 35,9 | 33,9 | 37,7 | 38,5 |
| 100% Wml tot modaal | 42,6 | 43,2 | 42,7 | 39,0 | 39,1 |
| Modaal tot 2 x modaal | 224,1 | 223,4 | 225,1 | 225,9 | 224,2 |
| 2 x modaal tot 3 x modaal | 152,4 | 153,7 | 172,4 | 181,2 | 189,6 |
| 3 x modaal en hoger | 92,9 | 95,6 | 108,9 | 116,1 | 121,4 |
Bron: Dienst Toeslagen, cijferbeeld juli 2025, bewerking Ministerie van SZW
2. Netto-arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen
De netto-arbeidsparticipatie van vrouwen en mannen is weergegeven in tabel 3 (vrouwen) en tabel 4 (mannen). De netto-arbeidsparticipatie van alle vrouwen tussen de 15 en 75 jaar bedroeg in het derde kwartaal van 2025 69,5%. In dezelfde leeftijdscategorie bedroeg de netto-arbeidsparticipatie onder mannen 77,3%.2 Bij beide categorieën was dit een lichte stijging van 0,1 procentpunt ten opzichte van het tweede kwartaal van 2025.
1 De aantallen huishoudens per inkomensgroep zijn gebaseerd op de gegevens die bij Dienst Toeslagen bekend zijn en kunnen nog wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van het inkomen. Voor 2024 en 2023 is respectievelijk circa 57% en 96% van de beschikkingen definitief vastgesteld. Voor 2022 en eerdere jaren zijn vrijwel alle beschikkingen en onderliggende gegevens definitief.
Het Ministerie van SZW beschikt niet over gegevens over het aantal huishoudens per inkomensgroep dat aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag. Bij de ontwikkeling van het gebruik van kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen kunnen ook andere factoren zoals de daadwerkelijke loonontwikkeling en het aantal gewerkte uren een rol spelen.
2 Bron CBS: de niet-seizoensgecorrigeerde netto arbeidsparticipatie.
| Tabel 3. Netto-arbeidsparticipatie vrouwen en moeders met jonge kinderen (in %) | ||||||||
| 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | Kw. 3 2024 | Kw.2 2025 | Kw.3 2025 | |
| Vrouwen 15-74 jaar | 64,2 | 66,5 | 68,1 | 68,9 | 69,2 | 69,2 | 69,4 | 69,5 |
| Vrouwen 25-34 jaar | 83,6 | 84,2 | 84,9 | 84,4 | 84,9 | 84,6 | 84,9 | 85,3 |
| Vrouwen 35-44 jaar | 80,4 | 79,9 | 82,3 | 83,5 | 82,4 | 82,6 | 82,7 | 82 |
| Moeders (lid van ouderpaar) | 80,5 | 81,4 | 82,6 | 82,8 | 83,1 | 83,3 | 82,6 | 82,2 |
| Alleenstaande moeders | 68,5 | 71,5 | 70,5 | 73,6 | 71,8 | 71,4 | 71,7 | 72,7 |
| Moeders met jongste kind 0-11 jaar | 80,1 | 79,7 | 81,5 | 81,8 | 81,9 | 82,3 | 82,1 | 81,9 |
Bron: CBS
De arbeidsparticipatie van vrouwen tussen de 15 en 74 jaar is, in vergelijking met hetzelfde kwartaal in 2024, licht gestegen (+0,3 procentpunt). Tussen de verschillende groepen is sprake van een wisselend beeld. De arbeidsparticipatie steeg onder vrouwen 25-34 jaar (+ 0,7 procentpunt) en Alleenstaande moeders (+1,3 procentpunt) ten opzichte van een jaar eerder. Ten opzichte van het derde kwartaal 2024 daalde de arbeidsparticipatie onder Vrouwen 35-44 jaar (-0,7 procentpunt), Moeders als lid van ouderpaar (-1,1 procentpunt) en Moeders met jongste kind 0-11 jaar (-0,4 procentpunt). Vorige kwartaalrapportage zagen we bij alle categorieën een licht tegenovergesteld effect, met uitzondering van Moeders als lid van een ouderpaar, waar toen ook een lichte daling te zien was.
| Tabel 4. Netto-arbeidsparticipatie mannen en vaders met jonge kinderen (in %)[1] | ||||||||
| 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | Kw. 3 2024 | Kw.1 2025 | Kw.2 2025 | |
| Mannen 15-74 jaar | 72,5 | 74,3 | 76,3 | 77,2 | 77,2 | 77,2 | 77,2 | 77,3 |
| Mannen 25-34 jaar | 88,2 | 89,9 | 89,9 | 90,2 | 90,2 | 90,3 | 90,9 | 90,1 |
| Mannen 35-44 jaar | 89,6 | 91,4 | 91,9 | 91,8 | 91,8 | 92,1 | 91,1 | 91,7 |
| Vaders (lid van ouderpaar) | 91,7 | 91,8 | 92,6 | 93,3 | 93,3 | 92,1 | 92,6 | 92,3 |
| Alleenstaande vaders | 79,8 | 83,5 | 84,4 | 83,5 | 84,5 | 84,8 | 83,3 | 83,5 |
| Vaders met jongste kind 0-11 jaar | 93,9 | 94,4 | 94,3 | 95 | 95 | 95,3 | 94,9 | 94,3 |
Bron: CBS
De netto-arbeidsparticipatie van mannen tussen de 15 en 74 jaar is, in vergelijking met het derde kwartaal van 2024, gestegen met 0,1 procentpunt. De arbeidsparticipatie daalde in dezelfde periode licht onder mannen 25-34 jaar (- 0,2 procentpunt), mannen 35-44 jaar (-0,4 procentpunt), alleenstaande vaders (- 1,3 procentpunt) en Vaders met jongste kind 0-11 jaar (-1 procentpunt). De arbeidsparticipatie nam slechts toe onder de categorie vaders (lid van een ouderpaar) (+0,2 procentpunt).
Tabel 5 toont het aantal gewerkte uren per week van vrouwen, mannen en ouders met jonge kinderen. In het derde kwartaal van 2025 werkten vrouwen gemiddeld 28 uur per week en mannen 35,9. Moeders met jonge kinderen werkten gemiddeld 28,5 uur per week, iets hoger dan het gemiddeld aantal gewerkte uren van alle vrouwen. Het aantal gewerkte uren onder moeders met jonge kinderen steeg licht ten opzichte van een jaar eerder (+0,3 uur per week) en bleef gelijk aan het tweede kwartaal van 2025. Vaders met jonge kinderen werkten in het tweede kwartaal
gemiddeld 39,4 uur per week. Dit is een lichte daling ten opzichte van een jaar eerder (-0,4 uur per week), maar een lichte stijging ten opzichte van het vorige kwartaal (+0,1 uur per week).
| Tabel 5. Ontwikkeling in gewerkte uren per week van vrouwen en mannen en ouders met jonge kinderen (gemiddelde binnen de groep met een baan van meer dan 1 uur, jaarcijfers) | ||||||||
| 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | Kw. 3 2024 | Kw.2 2025 | Kw.3 2025 | |
| Vrouwen 15-74 jaar | 26,2 | 27,4 | 27,9 | 27,9 | 27,9 | 28 | 27,8 | 28 |
| Moeders met jongste kind 0-11 jaar | 26,9 | 27,5 | 28,1 | 28,2 | 28,1 | 28,2 | 28,5 | 28,5 |
| Mannen 15-74 jaar | 36,3 | 36,1 | 36 | 35,9 | 36 | 35,8 | 35,9 | |
| Vaders met jongste kind 0-11 jaar | 40,4 | 40,1 | 40 | 39,8 | 39,8 | 39,3 | 39,4 | |
Bron: CBS
3. De ontwikkeling van de gemiddelde uurprijs
Voor de monitoring van tarieven maakt SZW gebruik van de uurtarieven die kinderopvangorganisaties aanleveren bij Dienst Toeslagen. De organisaties en gastouderbureaus zijn sinds 2022 wettelijk verplicht om maandelijks gegevens te leveren aan Dienst Toeslagen.
Dienst Toeslagen verstrekt op verzoek van SZW geanonimiseerde en geaggregeerde overzichten van deze data, zodat SZW in de kwartaalrapportages de tarieven nauwkeurig kan monitoren.3
Tabel 6 laat de gemiddelde tarieven op basis van de gegevenslevering van kinderopvangorganisaties en gastouderbureaus zien. De tabel laat ook het verschil zien tussen de gemiddelde tarieven van de verschillende opvangsoorten en de maximum uurprijs. De gemiddelde tarieven voor alle kinderopvangvormen zijn nagenoeg gelijk gebleven ten opzichte van het tweede kwartaal van 2025. In het derde kwartaal van 2025 bedroegen de gemiddelde tarieven € 11,17 voor de kinderdagopvang, € 10,13 voor de buitenschoolse opvang, € 8,27 voor gastouderopvang voor 0- t/m 3-jarigen en € 8,22 voor gastouderopvang voor 4- t/m 12-jarigen. Ook de maximum uurprijzen bleven gelijk, waardoor het verschil tussen het gemiddelde tarief en de maximum uurprijs nagenoeg gelijk blijft. Per saldo is de betaalbaarheid in de kinderopvang gelijk gebleven.
| Tabel 6. Ontwikkeling gemiddelde uurprijs (in €) op basis van gegevenslevering instellingen | ||||
| 2023 | 2024 | Kw. 2 2025 | Kw. 3 2025 | |
| Gemiddelde uurprijzen voor maximering | ||||
| Dagopvang | 9,71 | 10,56 | 11,17 | 11,17 |
| Buitenschoolse opvang | 8,72 | 9,54 | 10,14 | 10,13 |
| 0- t/m 3-jarigen gastouderopvang | 7,15 | 7,66 | 8,27 | 8,27 |
| 4- tot 12-jarigen gastouderopvang | 7,17 | 7,69 | 8,24 | 8,22 |
3 De interpretatie van de gegevens die kinderopvangorganisaties aanleveren kent wel een aandachtspunt. Dienst Toeslagen gebruikt deze gegevens om hoge terugvorderingen bij ouders te voorkomen. Dit doet zij door het urengebruik dat ouders doorgeven en de gegevens die zij van kinderopvangorganisaties doorkrijgt met elkaar te vergelijken. Indien Dienst Toeslagen een verschil constateert, attendeert zij ouders hierover, zodat zij het gebruik kunnen aanpassen. De Dienst heeft daarmee niet als doel om de tarieven in de kinderopvang te monitoren. Zij controleert de gegevens dan ook niet met oog op een juiste representatie van de markt.
| Maximum uurprijzen | ||||
| Dagopvang | 9,12 | 10,25 | 10,71 | 10,71 |
| Buitenschoolse opvang | 7,85 | 9,12 | 9,52 | 9,52 |
| 0- t/m 3-jarigen gastouderopvang | 6,85 | 7,53 | 8,10 | 8,10 |
| 4- tot 12-jarigen gastouderopvang | 6,85 | 7,53 | 8,10 | 8,10 |
| Relatief verschil gemiddelde t.o.v. maximum uurprijzen | ||||
| Dagopvang | 6,5% | 3,0% | 4,3% | 4,3% |
| Buitenschoolse opvang | 11,1% | 4,6% | 6,5% | 6,4% |
| 0- t/m 3-jarigen gastouderopvang | 4,3% | 1,7% | 2,1% | 2,1% |
| 4- tot 12-jarigen gastouderopvang | 4,7% | 2,2% | 1,7% | 1,5% |
Bron: Dienst Toeslagen, cijferbeeld 14 november 2025, bewerking Ministerie van SZW
4. Aanbod kinderopvang
Tot slot geeft tabel 7 het aantal locaties weer dat kinderopvang aanbiedt. Het aantal locaties van dagopvang is in het derde kwartaal van 2025 met 36 locaties gestegen ten opzichte van het vorige kwartaal (+ 0,4%). Begin oktober 2025 waren er 9.389 dagopvanglocaties. Ook de hoeveelheid locaties van buitenschoolse opvang is toegenomen. In het tweede kwartaal waren er 126 locaties meer dan in het vorige kwartaal (+ 2,1%). Hiermee komt het aantal buitenschoolse opvanglocaties in het tweede kwartaal op 8.362. Zowel in de dagopvang als in de buitenschoolse opvang zet de stijgende trend wat betreft het aantal locaties door. De hoeveelheid gastouderopvanglocaties blijft daarentegen dalen. Begin oktober waren er 14.142 locaties, een daling van 501 locaties (- 3,4%) ten opzichte van een kwartaal eerder.
| Tabel 7: aantal kinderopvang- en gastouderlocaties | ||||||||
| Jan. 2020 | Jan. 2021 | Jan. 2022 | Jan. 2023 | Jan. 2024 | Jan. 2025 | Jul. 2025 | Okt. 2025 | |
| Dagopvang | 9.029 | 9.066 | 9.139 | 9.183 | 9.238 | 9.331 | 9.353 | 9.389 |
| BSO | 7.384 | 7.569 | 7.655 | 7.815 | 7.965 | 8.181 | 8.236 | 8.362 |
| Gastouders | 25.237 | 22.675 | 20.578 | 18.459 | 16.723 | 15.086 | 14.643 | 14.142 |
Bron: DUO rapportage Landelijk Register Kinderopvang. De peildatum is de eerste maandag van de maand.