Gebruik kinderopvang groeit verder: vooral BSO telt meer kinderen
In het eerste kwartaal van 2026 maakten gemiddeld 930.000 kinderen gebruik van kinderopvang met kinderopvangtoeslag. Dat zijn er 9.000 meer dan een jaar eerder. Vooral de buitenschoolse opvang groeide sterk: het aantal kinderen op de BSO steeg met 21.000 naar 495.000. De dagopvang en gastouderopvang lieten juist een daling zien.
De gemiddelde uurprijzen kwamen uit op € 11,62 voor dagopvang en € 10,58 voor buitenschoolse opvang. Deze tarieven liggen boven de maximale uurprijzen waarover kinderopvangtoeslag wordt berekend. Het verschil werd bij dagopvang en BSO wel iets kleiner.
Het aantal locaties voor dagopvang en BSO bleef groeien. Begin april 2026 telde Nederland 9.402 dagopvanglocaties en 8.435 BSO-locaties. Het aantal geregistreerde gastouders daalde verder naar 13.560. De arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen bleef op een hoog niveau, maar nam bij verschillende groepen licht af ten opzichte van eind 2025.
Kwartaalrapportage kinderopvang – eerste kwartaal 2026
1. Gebruik kinderopvangtoeslag
Aantal kinderen naar kinderopvang
In het eerste kwartaal van 2026 gingen gemiddeld 930.000 kinderen met kinderopvangtoeslag naar de kinderopvang. Er is sprake van een stijgende trend. Uitgesplitst per opvangvorm gingen er 385.000 kinderen naar de kinderdagopvang, 495.000 kinderen naar de buitenschoolse opvang (BSO) en 66.000 kinderen naar de gastouderopvang. De groei in het aantal kinderen dat gebruikt maakt van kinderopvangtoeslag in het eerste kwartaal van 2026 ten opzichte van het eerste kwartaal in 2025 wordt veroorzaakt door de stijging in het gebruik van buitenschoolse opvang van 21.000 kinderen (+4,4%). Het gebruik van zowel dagopvang als gastouderopvang nam af met 7.000 kinderen (respectievelijk -1,8% en -9,6%). De afname in dagopvang en de toename in het gebruik van de BSO kan deels worden verklaard door de demografie. In 2021 werden relatief veel kinderen geboren, en deze hebben in 2025 de basisschoolleeftijd bereikt. Dit geboortecohort verliet in 2025 de dagopvang (waardoor daar relatief een afname is), en betraden de BSO (waardoor daar relatief een sterke toename is).
Ten opzichte van het eerste kwartaal van 2025 nam het aantal kinderen dat gebruik maakt van opvang toe met 9.000 kinderen (+0,98%). Ten opzichte van het vierde kwartaal van 2025 nam het totale gebruik van kinderopvang met kinderopvangtoeslag toe met 5.000 kinderen (+0,5%) in het eerste kwartaal van 2026.
Gebruik in uren
Het gemiddelde gebruik in uren per kind per maand is stabiel. Zowel ten opzichte van het eerste kwartaal als vierde kwartaal van 2025 is het gemiddeld totaal aantal uren licht gestegen (respectievelijk 0,3 uur en 0,1 uur per maand). Bij dagopvang zien we een lichte stijging ten opzichte van het vierde kwartaal (0,4 uur per maand) en een stijging ten opzichte van een jaar eerder (+1,2 uur per maand). Bij buitenschoolse opvang zien we een soortgelijke stijging ten opzichte van het vierde kwartaal van 2025 (+0,1 uur per maand) en ten opzichte van een jaar ervoor (+1,1 uur per maand). Bij gastouderopvang 0- t/m 3-jarigen zien we een lichte stijging ten opzichte van zowel het eerste als het vierde kwartaal van 2025 (+0,3 uur per maand). Bij gastouderopvang 4- t/m 11-jarigen zien we in het eerste kwartaal van 2026 een lichte stijging ten opzichte van het vierde kwartaal van 2025 (+0,5 uur per maand) en ten opzichte van het eerste kwartaal van 2025 (+0,9 uur per maand).
| Tabel 1. Gemiddelde aantallen met kinderopvangtoeslag1 | ||||||||
| 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | 2025 Kw. 1 | 2025 Kw. 4 | 2026 Kw. 1 | |
| Aantal kinderen (x 1.000) | ||||||||
| Totaal | 826 | 873 | 890 | 908 | 922 | 921 | 925 | 930 |
| Dagopvang | 354 | 374 | 381 | 387 | 387 | 392 | 384 | 385 |
| Buitenschoolse opvang | 396 | 427 | 443 | 461 | 481 | 474 | 489 | 495 |
| Gastouderopvang 0- t/m 3-jarigen | 58 | 57 | 55 | 51 | 46 | 48 | 44 | 43 |
| Gastouderopvang 4- t/m 11-jarigen | 38 | 34 | 30 | 27 | 24 | 25 | 23 | 23 |
| Uren per kind per maand | ||||||||
| Totaal | 63,8 | 65,2 | 66,2 | 66,7 | 65,9 | 65,8 | 66,0 | 66,1 |
| Dagopvang | 88,0 | 90,1 | 91,4 | 92,1 | 91,8 | 91,3 | 92,1 | 92,5 |
| Buitenschoolse opvang | 40,7 | 41,9 | 42,8 | 43,7 | 43,5 | 43,0 | 44,0 | 44,1 |
1 Het totaal kinderen is groter dan de som der delen, doordat kinderen die zowel van centrumopvang als van gastouderopvang gebruikmaken, in het totaal slechts één keer zijn meegeteld.
| Gastouderopvang 0- t/m 3-jarigen | 67,9 | 68,7 | 71,1 | 72,4 | 72,0 | 72,2 | 72,2 | 72,5 |
| Gastouderopvang 4- t/m 11-jarigen | 37,7 | 37,7 | 39,2 | 40,6 | 40,5 | 39,7 | 41,1 | 41,6 |
Bron: Dienst Toeslagen, cijferbeeld april 2026, bewerking Ministerie van SZW.
Gebruik naar inkomensgroep
Tabel 2 bevat gegevens over het aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvang, uitgesplitst naar inkomensgroep. De gegevens worden bijgehouden en gerapporteerd om meer zicht te krijgen op de ontwikkeling van het gebruik van kinderopvang onder verschillende inkomensgroepen. Een toename of afname van het gebruik onder een inkomensgroep kan erop wijzen dat het percentage huishoudens in deze inkomensgroep dat kinderopvang afneemt is gestegen of gedaald, er meer of minder ouders werken, en/of dat er meer of minder huishoudens in deze inkomensgroep zitten. Cijfers dienen daarom voorzichtig geïnterpreteerd te worden. Het aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvang is lager dan het aantal kinderen dat naar de opvang gaat, omdat er in één huishouden meerdere kinderen met kinderopvangtoeslag naar de kinderopvang kunnen gaan. Onderstaande tabel geeft dit weer.
Deze cijfers worden jaarlijks aangepast, en niet per kwartaal zoals de andere cijfers in deze rapportage. De reden om de cijfers over het gebruik naar inkomensgroep per jaar te rapporteren is dat de cijfers over inkomen nog kunnen verschillen gedurende het lopende jaar. Cijfers uit het lopende jaar geven daarom niet altijd een betrouwbaar beeld.
Het aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvang is in 2025 gestegen ten opzichte van 2024 (+9.400). Deze stijging lijkt vooralsnog vooral gedreven door een toename van het gebruik onder huishoudens met een hoog inkomen. Een van de factoren die hier mogelijk invloed op heeft is de jaarlijkse indexatie bij de schatting van inkomens door Dienst Toeslagen. Deze indexatie ligt hoger dan de stijging van het modale inkomen, waardoor gezinnen die gebruik maken van kinderopvangtoeslag in een andere categorie worden gemeten.
| Tabel 2. Aantal huishoudens met kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen | ||||||
| 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | |
| Aantal huishoudens (x 1.000) | ||||||
| Totaal | 549,8 | 551,8 | 582,9 | 598,5 | 611,7 | 621,1 |
| Tot 100% Wml | 37,8 | 35,9 | 33,8 | 37,2 | 39,1 | 37,3 |
| 100% Wml tot modaal | 42,6 | 43,2 | 42,7 | 38,8 | 39,0 | 38,6 |
| Modaal tot 2 x modaal | 224,1 | 223,4 | 225,0 | 225,5 | 224,2 | 202,8 |
| 2 x modaal tot 3 x modaal | 152,4 | 153,7 | 172,4 | 180,9 | 187,2 | 206,2 |
| 3 x modaal en hoger | 92,9 | 95,6 | 109,0 | 116,0 | 122,2 | 136,2 |
Bron: Dienst Toeslagen, cijferbeeld april 2026, bewerking Ministerie van SZW
2. Netto-arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen
De netto-arbeidsparticipatie van vrouwen en mannen is weergegeven in tabel 3 (vrouwen) en tabel 4 (mannen). De netto-arbeidsparticipatie van alle vrouwen tussen de 15 en 75 jaar bedroeg in het eerste kwartaal van 2026 69%. In dezelfde leeftijdscategorie bedroeg de netto-arbeidsparticipatie onder mannen 76,9%.2 Bij zowel mannen als vrouwen was dit een lichte daling van 0,4 procentpunt ten opzichte van het vierde kwartaal van 2025.
2 Bron CBS: de niet-seizoensgecorrigeerde netto arbeidsparticipatie.
| Tabel 3. Netto-arbeidsparticipatie vrouwen en moeders met jonge kinderen (in %) |
| 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | Kw, 1 2025 | Kw. 4 2025 | Kw. 1 2026 | |
| Vrouwen 15- 74 jaar | 64,2 | 66,5 | 68,1 | 68,9 | 69,2 | 69,3 | 68,9 | 69,4 | 69 |
| Vrouwen 25- 34 jaar | 83,6 | 84,2 | 84,9 | 84,4 | 84,9 | 84,9 | 84 | 85,5 | 85,2 |
| Vrouwen 35- 44 jaar | 80,4 | 79,9 | 82,3 | 83,5 | 82,4 | 82,5 | 82,5 | 82,8 | 81,4 |
| Moeders (lid van ouderpaar) | 80,5 | 81,4 | 82,6 | 82,8 | 83,1 | 82,6 | 82,9 | 82,7 | 82,6 |
| Alleenstaande moeders | 68,5 | 71,5 | 70,5 | 73,6 | 71,8 | 72,1 | 71,5 | 72,4 | 72,3 |
| Moeders met jongste kind 0-11 jaar | 80,1 | 79,7 | 81,5 | 81,8 | 81,9 | 82,3 | 82,1 | 83,1 | 81,8 |
Bron: CBS
De arbeidsparticipatie van vrouwen tussen de 15 en 74 jaar is, in vergelijking met hetzelfde kwartaal in 2025, licht gestegen (+0,1 procentpunt). Tussen de verschillende groepen is sprake van een afwisselend beeld. De arbeidsparticipatie steeg onder vrouwen 25-34 jaar
(+ 1,2 procentpunt) en Alleenstaande moeders (+0,8 procentpunt) ten opzichte van een jaar eerder. Ten opzichte van het eerste kwartaal van 2025 daalde de arbeidsparticipatie onder Vrouwen 35-44 jaar (-1,1 procentpunt), Moeders als lid van ouderpaar (-0,3 procentpunt), en Moeders met jongste kind 0-11 jaar (-0,3 procentpunt).
| Tabel 4. Netto-arbeidsparticipatie mannen en vaders met jonge kinderen (in %)[1] | |||||||||
| 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | Kw.1 2025 | Kw.4 2025 | Kw. 1 2026 | |
| Mannen 15- 74 jaar | 72,5 | 74,3 | 76,3 | 77,2 | 77,2 | 77,2 | 76,8 | 77,3 | 76,9 |
| Mannen 25- 34 jaar | 88,2 | 89,9 | 89,9 | 90,2 | 90,2 | 90,5 | 90,4 | 90,5 | 90,4 |
| Mannen 35- 44 jaar | 89,6 | 91,4 | 91,9 | 91,8 | 91,8 | 91,4 | 90,9 | 91,6 | 91,4 |
| Vaders (lid van ouderpaar) | 91,7 | 91,8 | 92,6 | 93,3 | 93,3 | 92,5 | 92 | 93,1 | 92 |
| Alleenstaande vaders | 79,8 | 83,5 | 84,4 | 83,5 | 84,5 | 84,4 | 84,7 | 86,1 | 83,3 |
| Vaders met jongste kind 0-11 jaar | 93,9 | 94,4 | 94,3 | 95 | 95 | 94,8 | 94,8 | 95 | 94,3 |
Bron: CBS
De netto-arbeidsparticipatie van mannen tussen de 15 en 74 jaar is, in vergelijking met het eerste kwartaal van 2025, gestegen met 0,1 procentpunt. Tussen de verschillende groepen is sprake van een afwisselend beeld. De arbeidsparticipatie steeg in de categorie: mannen 35-44 jaar (+0,5 procentpunt). De arbeidsparticipatie bleef ten opzichte van het eerste kwartaal 2025 gelijk in de categorieën mannen 25-34 jaar en Vaders (lid van ouderpaar). In de categorieën Alleenstaande vaders en Vaders met jongste kind 0-11 jaar daalde de arbeidsparticipatie met respectievelijk 1,4 en 0,5 procentpunt.
Tabel 5 toont het aantal gewerkte uren per week van vrouwen, mannen en ouders met jonge kinderen. In het eerste kwartaal van 2026 werkten vrouwen gemiddeld 27,9 uur per week en mannen 35,5. Moeders met jonge kinderen werkten gemiddeld 28,4 uur per week, iets hoger dan het gemiddeld aantal gewerkte uren van alle vrouwen. Het aantal gewerkte uren onder moeders met jonge kinderen steeg licht ten opzichte van een jaar eerder (+0,3 uur per week) en daalde licht ten opzichte van het vierde kwartaal van 2025 (-0,1 uur per week). Vaders met jonge kinderen werkten in het eerste kwartaal gemiddeld 39,5 uur per week. Dit is een lichte stijging ten
opzichte van een jaar eerder (+0,2 uur per week), maar is ten opzichte van het voorafgaande kwartaal nagenoeg gelijk gebleven.
| Tabel 5. Ontwikkeling in gewerkte uren per week van vrouwen en mannen en ouders met jonge kinderen (gemiddelde binnen de groep met een baan van meer dan 1 uur, jaarcijfers) | |||||||||
| 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | Kw.1 2025 | Kw.4 2025 | Kw. 1 2026 | |
| Vrouwen 15- 74 jaar | 26,2 | 27,4 | 27,9 | 27,9 | 27,9 | 27,9 | 27,7 | 28,0 | 27,9 |
| Moeders met jongste kind 0-11 jaar | 26,9 | 27,5 | 28,1 | 28,2 | 28,1 | 28,5 | 28,1 | 28,7 | 28,4 |
| Mannen 15-74 jaar | 36,3 | 36,1 | 36 | 35,9 | 35,7 | 35,7 | 35,6 | 35,5 | |
| Vaders met jongste kind 0-11 jaar | 40,4 | 40,1 | 40 | 39,8 | 39,3 | 39,3 | 39,3 | 39,5 | |
Bron: CBS
3. De ontwikkeling van de gemiddelde uurprijs
Voor de monitoring van tarieven maakt SZW gebruik van de uurtarieven die kinderopvangorganisaties aanleveren bij Dienst Toeslagen. De kinderopvangorganisaties en gastouderbureaus zijn sinds 2022 wettelijk verplicht om maandelijks gegevens te leveren aan Dienst Toeslagen. Dienst Toeslagen verstrekt op verzoek van SZW geanonimiseerde en geaggregeerde overzichten van deze data, zodat SZW in de kwartaalrapportages de tarieven nauwkeurig kan monitoren.3
Tabel 6 laat de gemiddelde tarieven op basis van de gegevenslevering van kinderopvangorganisaties en gastouderbureaus zien. De tabel laat ook het verschil zien tussen de gemiddelde tarieven van de verschillende opvangsoorten en de maximum uurprijs (het maximaal vergoede uurtarief). De gemiddelde tarieven bedragen in het eerste kwartaal van 2026 € 11,62 in de dagopvang, 10,58 in de buitenschoolse opvang, € 8,74 in de gastouderopvang voor 0 – 3 jarigen en € 8,66 in de gastouderopvang voor 4 – 12 jarigen. De tarieven zijn in de dagopvang en BSO minder hard gestegen dan de maximum uurprijzen, waardoor de betaalbaarheid gemiddeld is toegenomen. In de gastouderopvang voor 0 – 3 jarigen nam het verschil tussen de gemiddelde tarieven en de maximum uurprijzen wel toe, met 0,7 procentpunt.
| Tabel 6: Tarieven en maximum uurprijzen kinderopvang (in €) | ||||||
| 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | 2026 Kw1 | 2026 Kw. 1 | |
| Gemiddelde tarieven | ||||||
| Dagopvang | 8,99 | 9,71 | 10,56 | 11,17 | 11,17 | 11,62 |
| Buitenschoolse opvang | 8,1 | 8,72 | 9,54 | 10,13 | 10,14 | 10,58 |
| 0- t/m 3-jarigen gastouderopvang | 6,79 | 7,15 | 7,66 | 8,29 | 8,23 | 8,74 |
| 4- tot 12-jarigen gastouderopvang | 6,85 | 7,17 | 7,69 | 8,26 | 8,22 | 8,66 |
3 De interpretatie van de gegevens die kinderopvangorganisaties aanleveren kent wel een aandachtspunt. Dienst Toeslagen gebruikt deze gegevens om hoge terugvorderingen bij ouders te voorkomen. Dit doet zij door het urengebruik dat ouders doorgeven en de gegevens die zij van kinderopvangorganisaties doorkrijgt met elkaar te vergelijken. Indien Dienst Toeslagen een verschil constateert, attendeert zij ouders hierover, zodat zij het gebruik kunnen aanpassen. De Dienst heeft daarmee niet als doel om de tarieven in de kinderopvang te monitoren. Zij controleert de gegevens dan ook niet met oog op een juiste representatie van de markt.
| Maximum uurprijzen (MUP) | ||||||
| Dagopvang | 8,5 | 9,12 | 10,25 | 10,71 | 10,71 | 11,23 |
| Buitenschoolse opvang | 7,31 | 7,85 | 9,12 | 9,52 | 9,52 | 9,98 |
| 0- t/m 3-jarigen gastouderopvang | 6,52 | 6,85 | 7,53 | 8,1 | 8,1 | 8,49 |
| 4- tot 12-jarigen gastouderopvang | 6,52 | 6,85 | 7,53 | 8,1 | 8,1 | 8,49 |
| Relatief verschil gemiddelde t.o.v. maximum uurprijzen | ||||||
| Dagopvang | 5,80% | 6,50% | 3,10% | 4,30% | 4,30% | 3,50% |
| Buitenschoolse opvang | 10,80% | 11,10% | 4,60% | 6,40% | 6,50% | 6,00% |
| 0- t/m 3-jarigen gastouderopvang | 4,10% | 4,30% | 1,70% | 2,30% | 1,60% | 3,00% |
| 4- tot 12-jarigen gastouderopvang | 5,10% | 4,70% | 2,20% | 2,00% | 1,50% | 2,00% |
Bron: Dienst Toeslagen, cijferbeeld april 2026, bewerking Ministerie van SZW.
N.B. Op basis van nagekomen gegevens kan het gemiddelde tarief over eerdere perioden licht zijn gewijzigd ten opzichte van de voorgaande kwartaalrapportage.
4. Aanbod kinderopvang
Tot slot geeft tabel 7 het aantal locaties weer dat kinderopvang aanbiedt. Het aantal locaties van dagopvang is in het eerste kwartaal van 2026 met 13 locatie gestegen ten opzichte van het vorige kwartaal (+ 0,1%). Begin april 2026 waren er 9.402 dagopvanglocaties. Ook de hoeveelheid locaties van buitenschoolse opvang is toegenomen. In het eerste kwartaal waren er 46 locaties meer dan in het voorgaande kwartaal (+ 0,5%). Hiermee komt het aantal buitenschoolse opvanglocaties in het eerste kwartaal op 8.435. Zowel in de dagopvang als in de buitenschoolse opvang zet de stijgende trend wat betreft het aantal locaties door. De hoeveelheid gastouderopvanglocaties blijft daarentegen dalen. Begin april waren er 13.560 locaties, een daling van 232 locaties (-1,7%) ten opzichte van een kwartaal eerder.
| Tabel 7: aantal kinderopvang- en gastouderlocaties | ||||||||
| Jan. 2020 | Jan. 2021 | Jan. 2022 | Jan. 2023 | Jan. 2024 | Jan. 2025 | Jan. 2026 | Apr. 2026 | |
| Dagopvang | 9.029 | 9.066 | 9.139 | 9.183 | 9.238 | 9.331 | 9.389 | 9.402 |
| BSO | 7.384 | 7.569 | 7.655 | 7.815 | 7.965 | 8.181 | 8.389 | 8.435 |
| Gastouders | 25.237 | 22.675 | 20.578 | 18.459 | 16.723 | 15.086 | 13.792 | 13.560 |
Bron: DUO rapportage Landelijk Register Kinderopvang. De peildatum is de eerste maandag van de maand.