Nieuwe taaleis op komst voor anderstalige kinderopvang: reageren kan tot 15 juni 2026
De overheid werkt aan nieuwe taaleisen voor beroepskrachten in de anderstalige kinderopvang. Het gaat om pedagogisch medewerkers die met kinderen een andere voertaal dan Nederlands spreken, omdat de herkomst van de kinderen en specifieke omstandigheden dat noodzakelijk maken.
De conceptregeling staat sinds 18 mei 2026 open voor internetconsultatie. Reageren kan tot en met 15 juni 2026.
Wat verandert er?
In de kinderopvang geldt als hoofdregel dat Nederlands de voertaal is. In sommige gevallen mag daarvan worden afgeweken. Dat kan bijvoorbeeld bij anderstalige kinderopvang, wanneer de herkomst van kinderen en specifieke omstandigheden het noodzakelijk maken om naast Nederlands ook een andere taal te gebruiken.
Voor beroepskrachten die Nederlands spreken, gelden al taaleisen. Ook voor beroepskrachten in de meertalige kinderopvang, waar maximaal de helft van de dag Engels, Duits of Frans wordt gesproken, gelden al taaleisen.
Voor beroepskrachten in de anderstalige kinderopvang gold zo’n specifieke taaleis nog niet. Dat verandert met deze conceptregeling.
De nieuwe regel houdt in dat beroepskrachten die met kinderen een andere voertaal spreken, moeten kunnen aantonen dat zij die taal mondeling beheersen op minimaal B2-niveau van het Europees Referentiekader voor Talen. Het gaat om de onderdelen:
- gesprekken voeren;
- luisteren;
- spreken.
Dat bewijs kan bijvoorbeeld bestaan uit een diploma, certificaat, taaltoets of ander bewijsstuk waaruit het taalniveau blijkt.
Voor wie is dit belangrijk?
De regeling is vooral belangrijk voor:
- kinderopvangorganisaties die anderstalige kinderopvang aanbieden;
- pedagogisch medewerkers die op een anderstalige groep werken;
- ouders van kinderen in anderstalige kinderopvang;
- kinderen die gebruikmaken van deze opvang;
- toezichthouders;
- gemeenten waar anderstalige kinderopvang wordt aangeboden, bijvoorbeeld in regio’s met veel expats.
Volgens de consultatiepagina gaat het naar verwachting om ongeveer 30 locaties die anderstalige kinderopvang aanbieden.
Wat betekent dit voor kinderopvangorganisaties?
Kinderopvangorganisaties die anderstalige kinderopvang aanbieden, moeten straks kunnen aantonen dat hun beroepskrachten voldoen aan de taaleis. De houder moet daarom beschikken over een kopie van het bewijsstuk van de medewerker.
De regeling geldt voor beroepskrachten die de andere voertaal daadwerkelijk met kinderen gebruiken. Het maakt daarbij niet uit of zij die taal de hele dag spreken of alleen tijdens bepaalde activiteiten.
Een beroepskracht die alleen Nederlands spreekt met de kinderen, hoeft alleen te voldoen aan de bestaande taaleis voor Nederlands. Een beroepskracht die zowel Nederlands als de andere voertaal spreekt, moet aan beide taaleisen voldoen.
De taaleis geldt niet voor beroepskrachten in opleiding.
Incidenteel een andere taal gebruiken blijft mogelijk
De conceptregeling maakt onderscheid tussen een andere taal als voertaal gebruiken en incidenteel een paar woorden of zinnen in een andere taal spreken.
Een pedagogisch medewerker die bijvoorbeeld een kind geruststelt in de thuistaal, een korte vertaling geeft of enkele woorden gebruikt om de emotionele veiligheid te ondersteunen, valt daarmee niet automatisch onder de nieuwe taaleis. In dat geval is het doel niet om de ontwikkeling in die andere taal te stimuleren, maar om het kind te ondersteunen binnen de Nederlandstalige opvang.
Wanneer gaat de regeling in?
De conceptregeling moet volgens het voorstel ingaan op 1 januari 2028. Daarmee krijgen organisaties voldoende tijd om bewijsstukken te verzamelen of medewerkers te ondersteunen bij het behalen daarvan.
De regeling wordt naar verwachting in augustus 2026 gepubliceerd in de Staatscourant.
Tot wanneer kan er gereageerd worden?
Reageren op de internetconsultatie kan tot en met 15 juni 2026 via internetconsultatie.nl.
Volledige tekst conceptregeling
Regeling van de Minister van Werk en Participatie van Datum, nr. 2026-0000127082, tot wijziging van de Regeling Wet kinderopvang ten behoeve van het opnemen van taaleisen voor beroepskrachten anderstalige kinderopvang [KetenID WGK028669]
De Minister van Werk en Participatie;
Gelet op de artikelen 6, tweede lid, en 15, tweede lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang;
Besluit:
Artikel I
De Regeling Wet kinderopvang wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 7a wordt als volgt gewijzigd:
- In het opschrift wordt “meertalige kinderopvang” vervangen door “meertalige en anderstalige kinderopvang”.
- In de aanhef wordt na “de Duits-, Engels- of Franssprekende beroepskracht meertalige kinderopvang” ingevoegd “en de beroepskracht die met de kinderen een andere voertaal spreekt als bedoeld in artikel 1.55, tweede lid, van de Wet kinderopvang”.
- In onderdeel c wordt “het Duits, Engels of Frans” vervangen door “de desbetreffende taal”.
B
Artikel 9aa wordt als volgt gewijzigd:
- In het opschrift wordt “meertalige kinderopvang” vervangen door “meertalige en anderstalige kinderopvang”.
- In de aanhef wordt na “de Duits-, Engels- of Franssprekende beroepskracht meertalige kinderopvang” ingevoegd “en de beroepskracht die met de kinderen een andere voertaal spreekt als bedoeld in artikel 1.55, tweede lid, van de Wet kinderopvang”.
- In onderdeel c wordt “het Duits, Engels of Frans” vervangen door “de desbetreffende taal”.
Artikel II
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2028.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Werk en Participatie,
A.A. Aartsen
Toelichting
I Algemeen deel
1. Inhoud regeling
1.1 Inleiding
De Wet kinderopvang bepaalt met artikel 1.55, eerste lid, dat de Nederlandse taal als voertaal wordt gebruikt in de kinderopvang. Daar waar naast de Nederlandse taal, de Friese taal of een streektaal in levend gebruik is, kan de Friese taal of de streektaal mede als voertaal worden gebruikt.
Op deze hoofdregel zijn twee uitzonderingen in de Wet kinderopvang opgenomen. Het tweede lid van artikel 1.55 biedt de mogelijkheid om, overeenkomstig een door de houder vastgestelde gedragscode, mede een andere taal als voertaal te bezigen indien de herkomst van de kinderen in specifieke omstandigheden daartoe noodzaakt. Dit wordt in deze toelichting “anderstalige kinderopvang” genoemd.
Deze regeling heeft betrekking op beroepskrachten, die in het kader van dit tweede lid (mede) een andere voertaal spreken. Zij worden in deze toelichting aangeduid als “anderstalige beroepskrachten”.
Daarnaast bepaalt het derde lid van artikel 1.55 dat er meertalige kinderopvang kan worden verzorgd. Dit is kinderopvang die voor ten hoogste vijftig procent van de openingstijd per dag in de Engelse, Duitse, of Franse taal wordt verzorgd. Op een meertalige groep werken “beroepskrachten meertalige kinderopvang”. Zij spreken Duits, Engels of Frans en/of Nederlands met de kinderen. Het aanbod van meertalige kinderopvang hoeft niet onderbouwd te worden met de herkomst van de kinderen of specifieke omstandigheden.
Voor alle beroepskrachten die de Nederlandse taal spreken in de kinderopvang, geldt sinds 1 januari 2025 een taaleis. Beroepskrachten in de dagopvang moeten de Nederlandse taal, voor de onderdelen gesprekken voeren, luisteren en spreken, beheersen op ten minste taalniveau 3F (Nederlands referentiekader) of B2 (Europees referentiekader). Voor beroepskrachten in de buitenschoolse opvang (hierna: bso) geldt een minimaal taalniveau van 2F (Nederlands referentiekader) of B1 (Europees referentiekader) voor de onderdelen gesprekken voeren, luisteren en spreken. Friessprekende beroepskrachten kunnen hun taalniveau aantonen in het Nederlands of Fries.
Voor meertalige kinderopvang geldt eveneens een taaleis voor beroepskrachten die de Duitse, Engelse of Franse taal spreken met de kinderen. Dit taalniveau is vastgesteld op B2 in de betreffende vreemde taal, voor de onderdelen gesprekken voeren, luisteren en spreken. Deze taaleis is van toepassing op zowel de meertalige dagopvang als de meertalige bso.
Voor beroepskrachten die een andere voertaal spreken binnen de anderstalige kinderopvang gold nog geen taaleis. Met deze regeling wordt die ingevoerd, op dezelfde manier als de taaleis voor Duits-, Engels- en Franssprekende beroepskrachten meertalige kinderopvang.
1.2 Aanleiding
Voor inwerkingtreding van deze regeling golden er voor meertalige kinderopvang aanvullende eisen die niet voor anderstalige kinderopvang golden. Het gaat hierbij om de taaleis en aanvullende eisen aan het pedagogisch beleidsplan. Eisen aan het pedagogisch beleidsplan zijn vastgelegd in het Besluit kwaliteit kinderopvang, taaleisen in de Regeling Wet kinderopvang. Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel voor meertalige kinderopvang in 2023, wezen GGD GHOR Nederland, de Afdeling advisering van de Raad van State en de Tweede Kamer hier ook op.
Het streven was om de eisen uiterlijk 1 januari 2025 gelijk te trekken. Bij de uitwerking bleek de situatie complexer dan verwacht, door de variatie die in de praktijk mogelijk is op het gebied van anderstalige kinderopvang. Er was meer tijd nodig om de eisen zorgvuldig naar elkaar toe te laten groeien.
Inmiddels is er meer informatie opgehaald uit de praktijk van anderstalige kinderopvang en zijn de beleidsopties afgewogen. Daaruit is gebleken dat de weg vrij is om de taaleisen die gelden voor meertalige kinderopvang, door te trekken naar de anderstalige kinderopvang. Er zijn geen vormen van anderstalige kinderopvang naar boven gekomen waar taaleisen niet bij zouden passen. Daarnaast geven huidige organisaties aan dat taaleisen voor hen geen belemmering zouden vormen. Dit borgt de kwaliteit van het taalaanbod in kinderopvang en komt die kwaliteit dus ten goede.
1.3 Motivatie voor het instellen van taaleisen
De taaleisen voor Nederlandstalige en meertalige kinderopvang zijn ingevoerd ten behoeve van het stimuleren van de taalontwikkeling van kinderen. Om de taalontwikkeling van kinderen te stimuleren is een taalrijke omgeving nodig. De mondelinge taalvaardigheid van beroepskrachten is hiervoor een belangrijke voorwaarde.
Dezelfde redenering gaat op voor de anderstalige kinderopvang. Bij anderstalige kinderopvang moet er namelijk sprake zijn van een groep kinderen van wie niet alleen de herkomst, maar ook specifieke omstandigheden een noodzaak vormen om naast het Nederlands mede een andere voertaal te spreken met deze kinderen. Het betreft hier dus een specifieke doelgroep. De andere voertaal wordt vaak aangeboden omdat het noodzakelijk is voor deze kinderen dat zij deze taal onderhouden, bijvoorbeeld in geval van terugkeer naar eigen land op korte termijn, of aanleren, in geval van internationaal onderwijs.
Vaak gaat het in de huidige praktijk om kinderen van expats, die tijdelijk in Nederland verblijven en die de taal van het internationale onderwijs goed moeten beheersen. Dit komt overeen met de doelgroep van het internationaal georiënteerd basisonderwijs (igbo). Het kan ook gaan om kinderen die met redelijke zekerheid op korte termijn weer terug zullen gaan naar hun thuisland.
Het is aan kindercentra zelf om middels een gedragscode de noodzaak te onderbouwen om mede een andere voertaal aan te bieden, gezien de herkomst van de kinderen en de specifieke omstandigheden.
Elke kinderopvangorganisatie die anderstalige kinderopvang aanbiedt, streeft hiermee zodoende een bepaald doel na voor de specifieke groep kinderen. Daarom is het, net als bij Nederlandstalige en meertalige kinderopvang, van belang dat ook beroepskrachten in de anderstalige kinderopvang de betreffende taal op niveau B2 beheersen, voor de onderdelen gesprekken voeren, luisteren en spreken.
In 2024 is besloten het vereiste taalniveau Nederlands voor beroepskrachten in de reguliere bso aan te passen naar 2F of B1. Het aanpassen van de taaleis Nederlands op de bso werd gedaan zodat beroepskrachten voor wie 3F-niveau niet haalbaar is in de sector kunnen blijven werken. Ook is in de bso ruimte voor de brede talentontwikkeling en zorgde de verlaging van de taaleis ervoor dat het mogelijk bleef om beroepskrachten met diverse competenties in te zetten, zoals cultuur, sport of andersgekwalificeerde beroepskrachten.
Voor de meertalige bso is het vereiste taalniveau B2 gebleven. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft geen signalen ontvangen dat de huidige B2-taaleis voor de meertalige bso knelt. Ook in gesprekken met enkele organisaties die anderstalige kinderopvang aanbieden, komt het B2-niveau niet als knelpunt naar voren.
Daarnaast kan meertalige of anderstalige opvang gezien worden als onderscheidend aanbod. Hierbij is het juist van belang dat de taal op een goed niveau (B2) wordt aangeboden. Tegen deze achtergrond blijven de taaleisen voor meertalige bso op niveau B2 en stelt deze regeling het vereiste taalniveau voor de anderstalige bso ook vast op B2.
Met het gelijktrekken van de taaleisen wordt bovendien voorkomen dat er een prikkel ontstaat voor houders om mindere taalvaardige beroepskrachten te werven en in te zetten op een anderstalige groep. Gezien de noodzaak voor het spreken van een andere voertaal in de anderstalige opvang, is het van belang dat de taal op een goed niveau wordt aangeboden.
Naast de inhoudelijke redenering, zorgt het gelijktrekken van de taaleisen voor meertalige en anderstalige kinderopvang ook voor uniformere regelgeving en meer eenduidigheid in het toezicht. Een toezichthouder hoeft namelijk niet meer vast te stellen of er sprake is van een meertalige of anderstalige groep om toezicht te kunnen houden op de taaleis.
De taaleisen voor anderstalige beroepskrachten zijn gelijk aan de taaleisen voor Duits-, Engels- of Franssprekende beroepskrachten meertalige kinderopvang. Een nadere toelichting op die taaleisen en de manieren waarop het mondelinge taalniveau kan worden aangetoond, is te vinden in de toelichting op de wijziging waarmee de taaleisen voor beroepskrachten meertalige kinderopvang zijn ingevoerd. Daarom is de toelichting op de voorliggende regeling beknopter gehouden.
1.4 Afbakening
Deze regeling stelt taaleisen aan beroepskrachten in de anderstalige kinderopvang die de andere taal (mede) als voertaal gebruiken. Het maakt hierbij niet uit of zij heel de dag deze taal spreken, of slechts enkele uren tijdens activiteiten. Iedere beroepskracht die de andere taal spreekt met de kinderen wordt aangemerkt als beroepskracht anderstalige kinderopvang die met de kinderen een andere voertaal spreekt als bedoeld in artikel 1.55, tweede lid, van de Wet kinderopvang. De voertaal is de taal van de groep die wordt aangeboden. Dit stimuleert de ontwikkeling in die taal.
Indien beroepskrachten incidenteel een paar woorden of zinnen gebruiken in een andere taal, in gesprek met een individueel kind, bijvoorbeeld in het kader van de emotionele veiligheid of sensitief en responsief handelen, dan wordt dit niet gezien als afwijking van de voertaal op de groep. In dit geval is het doel namelijk niet om de ontwikkeling te stimuleren in de betreffende taal, maar om emotionele veiligheid te bieden aan dat specifieke kind, of om zijn of haar Nederlandse taalvaardigheid te vergroten door de thuistaal van het kind erbij te betrekken. Bijvoorbeeld door specifieke zinnen in de thuistaal te gebruiken, die ouders meegeven. Of wanneer de beroepskracht een vertaling geeft van wat zij in het Nederlands heeft verteld.
Deze situaties worden zodoende niet gezien als het gebruiken van een ‘andere voertaal’, waarvoor het tweede lid van artikel 1.55 van de Wet kinderopvang bedoeld is. Deze situaties passen binnen de Nederlandstalige kinderopvang, als bedoeld in het eerste lid van artikel 1.55 van de Wet kinderopvang. Deze aanpak is bovendien tijdelijk en gericht op het aanleren van de Nederlandse taal.
Net als bij meertalige kinderopvang hoeft een beroepskracht die uitsluitend Nederlands spreekt met de kinderen alleen te voldoen aan de taaleis Nederlands. Voor hen verandert deze regeling dus niets. Een beroepskracht die uitsluitend de andere voertaal spreekt met de kinderen is uitgezonderd van de taaleis Nederlands en moet als gevolg van deze regeling het taalniveau in de andere voertaal aantonen.
Deze regeling schrijft voor dat de beroepskracht deze andere voertaal aantoonbaar moet beheersen op taalniveau B2, voor de onderdelen gesprekken voeren, luisteren en spreken. Het is ook mogelijk dat een beroepskracht op een anderstalige groep beide voertalen spreekt met de kinderen. Beroepskrachten die zowel Nederlands als een andere voertaal spreken met de kinderen, moeten voldoen aan zowel de taaleis Nederlands, als aan de B2-taaleis voor de andere voertaal, die met deze regeling wordt ingesteld.
Net als bij de taaleis Nederlands en de taaleis voor de meertalige kinderopvang, geldt de taaleis die deze regeling invoert alleen voor beroepskrachten en niet voor beroepskrachten in opleiding. Zij zijn immers nog in opleiding en zodoende hoeven zij nog niet aan de competenties te voldoen voor beroepskrachten. Dit betekent dat een beroepskracht in opleiding ook (mede) een andere taal kan spreken binnen de meertalige of anderstalige kinderopvang. Belangrijk is wel dat kindercentra zelf goed kijken naar de taalvaardigheid van een beroepskracht in opleiding, voordat zij deze formatief als meertalige of anderstalige beroepskracht inzetten.
1.5 Aantoonbaarheid en bewijsstukken
Een beroepskracht die (mede) een andere voertaal spreekt met de kinderen op de stam- of basisgroep, moet een goede mondelinge taalbeheersing kunnen aantonen. Het gaat hierbij om de volgende mondelinge onderdelen, de zogenaamde deelvaardigheden: het kunnen voeren van gesprekken, luisteren en spreken, op ten minste het niveau B2 van het Europees Referentiekader voor Talen. Dit referentiekader is een vergelijkingsinstrument om taalniveaus te kunnen duiden. Ten minste niveau B2 betekent binnen dit referentiekader: op niveau B2 of op de hogere niveaus C1 of C2. De houder van een kindercentrum dient te beschikken over een kopie van zo’n bewijsstuk.
De bewijsstukken kunnen zowel in Nederland als in het buitenland behaald zijn. Dit kan een bewijsstuk zijn waaruit het taalniveau direct blijkt, bijvoorbeeld certificaten van een taalinstituut waar de beroepskracht een opleiding, toets of assessment heeft gedaan. Aangezien cijfersystemen tussen landen sterk kunnen verschillen, is niet nader gespecificeerd welke cijfers behaald moeten zijn voor de afzonderlijke deelvaardigheden; een positieve beoordeling volstaat.
Daarnaast kan taalniveau C1 of C2 ook indirect blijken uit een diploma, diplomaerkenning of diplomawaardering van een gevolgde opleiding. Diploma’s op vergelijkbaar niveau vwo, associate degree, hbo of wo én waarbij het curriculum voor het grootste deel in de betreffende vreemde taal is aangeboden, worden gezien als opleidingen op C1- of C2-niveau in die taal. Dit diploma is daarom een geldig bewijsstuk voor de desbetreffende taal. Deelvaardigheden hoeven niet afzonderlijk te worden aangetoond bij niveau C1 of C2.
Tot slot wordt een erkenning van een beroepskwalificatie in een ander EU-land, dat de betreffende taal als officiële voertaal bezigt, gezien als bewijsstuk voor het taalniveau.
Voorbeelden zijn vermeld in de bovengenoemde wijziging waarmee de taaleisen voor beroepskrachten meertalige kinderopvang zijn ingevoerd. In die toelichting kan “het Duits, Engels of Frans” gelezen worden als “de betreffende vreemde taal”.
2. Regeldruk en financiële gevolgen
2.1 Regeldruk
ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Als kindercentra anderstalige kinderopvang willen aanbieden, zullen zij moeten zorgen dat de beroepskrachten die op anderstalige groepen ingezet worden, voldoen aan de opleidingseisen. Zij dienen te beschikken over kopieën van de bewijsstukken, waaruit het taalniveau blijkt van de gedeeltelijk anderstalige beroepskrachten. Logischerwijs nemen de houders deze kopieën op in hun administratie. Bij de aanname van personeel zijn houders ook nu al gehouden om aan te kunnen tonen dat de beroepskracht over het vereiste opleidingsniveau beschikt. De verwachting is dat het opvragen en opnemen van een extra bewijsstuk, namelijk van het taalniveau, daarom weinig extra lasten met zich meebrengt.
Beroepskrachten zijn niet verplicht om een dergelijk bewijsstuk te verkrijgen, tenzij ze als gedeeltelijk anderstalige beroepskracht ingezet willen worden. Het is afhankelijk van de arbeidsvoorwaarden of beroepskrachten hier kosten voor zullen maken.
De regeldrukraming bestaat alleen uit directe gevolgen van regelgeving. Voor zover zich regeldrukeffecten zullen voordoen, zijn dit beperkte en eenmalige gevolgen. De totale regeldrukkosten zijn afhankelijk van het aantal kindercentra dat anderstalige kinderopvang gaat aanbieden, het aantal anderstalige groepen per kindercentrum en het aantal anderstalige beroepskrachten per groep of locatie. Dit is vooraf moeilijk in te schatten.
In de berekening hieronder worden daarom de regeldrukkosten weergegeven voor de volgende aannames:
- Circa 30 kindercentra bieden anderstalige kinderopvang.
- Deze kindercentra hebben gemiddeld drie anderstalige groepen.
- Per anderstalige groep zijn er drie anderstalige beroepskrachten.
- Het controleren van een bewijsstuk door de houder kost eenmalig 5 à 10 minuten per nieuwe anderstalige beroepskracht.
- Voor anderstalige kinderopvang melden zich uitsluitend beroepskrachten die al over het vereiste taalniveau beschikken, maar hier nog niet altijd een bewijsstuk van kunnen overleggen. Bijscholing is daardoor niet nodig, uitsluitend eenmalige toetsing. Dit is een inschatting op basis van gesprekken, om de regeldrukkosten te kunnen ramen.
- Op basis van gesprekken wordt voor deze regeldrukraming de ruwe schatting gehanteerd dat een kwart van deze beroepskrachten al beschikt over een bewijsstuk waarmee ze hun mondelinge taalniveau kunnen aantonen. Bijvoorbeeld op basis van een buitenlandse kwalificatie, vooropleiding, of omdat de kinderopvangorganisatie nu al op eigen initiatief een bewijsstuk van taalvaardigheid vraagt.
- Beroepskrachten die hier nog niet over beschikken, doen een taaltoets die maximaal 120 minuten duurt. Voor houders gaan er kosten gepaard met het afnemen van een taaltoets door een taalinstituut, circa €200 per toets.
Uitgaande van 30 kindercentra, 270 anderstalige beroepskrachten, een intern uurtarief van €54, 75% van de beroepskrachten die nog een toets moet doen en circa €200 per taaltoets, worden de totale eenmalige regeldrukkosten geraamd op €64.800.
Gezien het lage aantal anderstalige kindercentra zijn de totale kosten beperkt. Per houder kunnen de kosten verschillen. Dit is afhankelijk van hoeveel anderstalige beroepskrachten in dienst zijn die het taalniveau niet middels hun huidige kwalificaties kunnen aantonen.
Naast deze initiële eenmalige regeldrukkosten, zullen houders als zij nieuw personeel aannemen, opnieuw de bewijsstukken moeten controleren en waar nodig een taaltoets aanbieden. Gemiddeld is het netto verlooppercentage in de kinderopvang circa 12%. Dit zou betekenen dat per jaar gemiddeld 1 medewerker per anderstalige locatie vertrekt en vervangen wordt, 32 medewerkers in totaal in de sector.
Het opnieuw controleren van bewijsstukken kost dan structureel ten hoogste €288 per jaar. Uitgaande van dezelfde verhouding dat een kwart van de nieuwe instroom al een bewijsstuk heeft dat de taaleis aantoont, gaat het gemiddeld om maximaal 24 nieuwe anderstalige beroepskrachten per jaar die een taaltoets moeten doen. De totale structurele kosten voor toetsing bedragen dan naar schatting maximaal 24 medewerkers × 2 uur × €54 = €2.592. De kosten die houders gezamenlijk moeten maken als zij de toetsen betalen voor nieuw personeel zijn maximaal €4.800 per jaar. De totale structurele kosten zullen zodoende naar verwachting niet meer bedragen dan €7.680 per jaar.
2.2 Financiële gevolgen
Op basis van input van toezichthouders is de verwachting dat er zeer beperkte kosten verbonden zijn aan het toezicht op de taaleisen. Toezichthouders zijn immers al bekend met het controleren van vergelijkbare taaleisen voor meertalige kinderopvang. De kosten zijn verwaarloosbaar gezien het lage aantal kindercentra dat naar verwachting anderstalige kinderopvang aanbiedt of gaat aanbieden.
3. Toetsing en consultatie
PM
4. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2028 en zal naar verwachting in augustus 2026 in de Staatscourant worden gepubliceerd. Zo hebben anderstalige kindercentra voldoende tijd om hun personeel de benodigde bewijsstukken te laten vergaren om het taalniveau aan te tonen. Ook biedt het kindercentra de ruimte om waar nodig beroepskrachten te helpen met het behalen van deze bewijsstukken, denk aan extra bijscholing of begeleiding bij bijvoorbeeld faalangst.
Daarmee is voldaan aan de vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn voor regelgeving, zoals neergelegd in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Daaruit volgt dat een ministeriële regeling op 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober in werking treedt en ten minste twee maanden voor inwerkingtreding wordt gepubliceerd.
II Artikelsgewijs deel
Artikel I
Uit artikel 1.55 van de Wet kinderopvang volgt dat beroepskrachten onder voorwaarden een andere voertaal dan Nederlands mogen hanteren in de kinderopvang. De taaleisen en bewijsstukken voor beroepskrachten die Duits, Engels of Frans spreken in de meertalige kinderopvang, als bedoeld in artikel 1.55, derde lid, van de Wet kinderopvang, zijn opgenomen in de Regeling Wet kinderopvang.
Voor de Duits-, Engels- of Franssprekende beroepskrachten in de meertalige dagopvang geldt de taaleis in artikel 7a van de Regeling Wet kinderopvang. De taaleis voor beroepskrachten die deze talen spreken in de meertalige bso is opgenomen in artikel 9aa van de Regeling Wet kinderopvang.
Vóór inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling gold nog geen taaleis voor beroepskrachten die een andere voertaal spreken in de anderstalige kinderopvang, als bedoeld in artikel 1.55, tweede lid, van de Wet kinderopvang. Met deze wijzigingsregeling gaan de taaleisen die zien op de Duits-, Engels- of Franssprekende beroepskrachten in de meertalige kinderopvang ook gelden voor beroepskrachten die een andere voertaal dan Nederlands spreken in de anderstalige kinderopvang.
Dat betekent dat voor beroepskrachten die een andere voertaal spreken in de anderstalige dagopvang ook de taaleis van artikel 7a van de Regeling Wet kinderopvang geldt. Voor beroepskrachten in de anderstalige bso geldt de taaleis van artikel 9aa van de Regeling Wet kinderopvang. Hiertoe wijzigen onderdelen A en B van artikel I van deze wijzigingsregeling het opschrift en de aanhef van artikelen 7a en 9aa van de Regeling Wet kinderopvang.
Net als voor de Duits-, Engels- of Franssprekende beroepskrachten binnen de meertalige kinderopvang wordt een erkenning van een beroepskwalificatie in een ander EU-land, dat de betreffende taal als officiële voertaal bezigt, ook gezien als een bewijsstuk voor het taalniveau van de beroepskrachten die een andere voertaal spreken in de anderstalige kinderopvang. Daarom wordt in artikelen 7a en 9aa, onder c, voorts verwezen naar “de desbetreffende taal” in plaats van “het Duits, Engels, of Frans”.
De Minister van Werk en Participatie,
A.A. Aartsen
C. Kaatee