Stel je voor: Een ouder met een hoog inkomen ontvangt in 2026 ongeveer 36,5% vergoeding van de kosten kinderopvang via de kinderopvangtoeslag. In het nieuwe stelsel wordt dat 96% vergoeding. Kinderopvang wordt daarmee bijna gratis.
Wat gebeurt er dan?
De ouder besluit het contract uit te breiden: van 2 naar 4 dagen opvang. Niet omdat het nodig is. Niet omdat het kind daadwerkelijk 4 dagen komt. Maar omdat het financieel niets meer uitmaakt en flexibiliteit prettig voelt.
En precies dáár begint de scheefgroei.
De praktijk: hoe minder ouders betalen, hoe minder bewust ze omgaan met opvanguren
De branche geeft dit al jaren aan:
Als ouders minder zelf betalen, neemt het daadwerkelijke gebruik niet evenredig toe.
Er is veel praktijkervaring die laat zien dat:
- ouders minder bewust omgaan met het gebruik van opvang
- afmelden minder zorgvuldig gebeurt
- extra dagen als “handig” worden gezien, maar weinig worden gebruikt
“Bijna gratis” kinderopvang maakt ouders niet zorgvuldiger, het maakt ze gemakzuchtiger.
En dat is geen oordeel, maar simpelweg menselijk gedrag. Het is ook precies waarom de sector al jarenlang waarschuwt dat bijna-gratis opvang averechts kan werken.
Maar de overheid legt het risico níét bij de ouder… maar bij de opvang
Door de noodzaak om na het toeslagenschandaal ouders te beschermen, lijkt de overheid nu door te slaan: de ouder mag in dit nieuwe systeem nooit meer een fout maken en kan niet worden aangesproken of gekort; zelfs niet wanneer de ouder bewust of onbewust overcontracteert of structureel afwezig is (of iets anders fout doet in het proces).
In plaats daarvan wordt de kinderopvang verantwoordelijk gemaakt voor iets waar zij:
- geen zeggenschap over heeft,
- geen controle over heeft,
- geen beïnvloedingsmogelijkheid over heeft,
- en geen middel heeft om het te corrigeren.
Een sector verantwoordelijk maken voor gedrag dat zij niet kan sturen, is niet alleen onlogisch, maar in feite onmogelijk.
Hoe werkt de aanwezigheidsnorm?
De overheid wil mogelijk een norm invoeren: bijvoorbeeld 80% aanwezigheid.
Wordt dat niet gehaald?
→ De opvang krijgt minder subsidie.
→ De opvang mag dit niet doorbelasten aan ouders.
→ De ouder behoudt zijn bijna-gratis opvang.
Ouder bepaalt. Opvang betaalt.
Voorbeeld
- Contracturen per jaar: 130.000
- Feitelijke aanwezigheid: 100.000
- Norm: 80%
→ Maximaal subsidiabel: 125.000
De houder loopt 5.000 uur subsidie mis, omdat ouders hun kind minder brengen dan waarvoor is betaald.
De ouder merkt niets. De opvangorganisatie lijdt verlies.
Waarom dit oneerlijk én schadelijk is
1. De ouder bepaalt het gebruik, niet de opvang
De opvang kan niet bepalen of:
- een ouder zijn kind brengt
- een ouder een vrije dag neemt
- opa/oma ineens oppast
- een kind ziek thuis blijft
- ouders structureel minder komen dan het contract
Toch wordt de opvang gekort.
2. De overheid veroorzaakt de prikkel
Een systeem met 96% vergoeding nodigt ouders uit om méér uren te contracteren dan nodig.
De overheid creëert de prikkel. De branche krijgt de rekening.
3. Jaren ervaring bewijst: lage eigen bijdrage = minder bewust gebruik
De sector ziet dit al twintig jaar: hoe lager de eigen bijdrage, hoe lager het gebruiks- en afmeldbewustzijn.
4. Post-toeslagenschandaal reflex: ouder mag nooit fout zitten
De overheid lijkt koste wat kost te willen voorkomen dat ouders ooit weer worden aangesproken op hun eigen keuzes. Maar die verantwoordelijkheid verschuift nu compleet, en onterecht, naar de sector.
De behoefte om “ouders nooit meer te laten vallen” mag niet leiden tot beleid dat kinderopvangorganisaties opzadelt met onuitvoerbare verantwoordelijkheden.
Ook juridisch wankel
De aanwezigheidsnorm botst met basale beginselen van behoorlijk bestuur:
Evenredigheid (art. 3:4 lid 2 Awb): Je mag geen sanctie opleggen aan een partij die geen invloed heeft op het achterliggende gedrag.
Toerekenbaarheid: Sancties mogen alleen gelden voor eigen handelen. Aanwezigheid is geen handelen van de opvang.
Rechtszekerheid: Een houder kan niet voorspellen of ouders hun kind brengen.
Subsidiariteit: Er bestaan lichtere alternatieven, die niet zijn onderzocht.
Motivering (art. 3:46 Awb): Er is geen bewijs dat een breed aanwezigheidsprobleem bestaat.
Het gevolg: een onuitvoerbaar en onlogisch systeem
- Ouders hebben bijna-gratis flexibiliteit
- De overheid verschuift risico’s naar de aanbieder
- De aanbieder wordt gestraft voor gedrag buiten zijn invloed
- Administratieve lasten stijgen explosief
- Toegankelijkheid en kwaliteit komen onder druk
- Openingstijden en flexibiliteit zullen vermoedelijk afnemen
Effect op openingstijden en arbeidsparticipatie
Waar de kinderopvangtoeslag altijd is bedoeld om een ruim en flexibel aanbod van opvangtijden te stimuleren, dreigt de aanwezigheidsnorm precies het tegenovergestelde te bereiken. Zodra kinderopvangorganisaties financieel worden afgerekend op de mate waarin kinderen daadwerkelijk aanwezig zijn, wordt het voor hen steeds minder aantrekkelijk om ruime openingstijden aan te bieden. Flexibele dagindelingen, vroeg openen of later sluiten brengen grotere risico’s met zich mee wanneer de aanwezigheid achterblijft bij de contracturen.
Organisaties zullen daardoor geneigd zijn hun openingstijden te baseren op het grootste gemiddelde gebruikspatroon, in plaats van op de behoefte van ouders met wisselende of afwijkende werktijden. Dit kan ertoe leiden dat opvanglocaties eerder sluiten, mogelijk al om 18.00 uur, simpelweg omdat het financieel niet verantwoord is om langere dagen te draaien. Daarmee wordt een basisdoel van de kinderopvangtoeslag ondergraven: ouders ondersteunen in het combineren van werk en zorg. Als opvanguren worden ingeperkt door deze maatregel, zal dit direct negatieve gevolgen hebben voor de arbeidsparticipatie van ouders die niet kunnen terugvallen op standaard kantooruren.
Minder bewust
De aanwezige prikkelstructuur van het nieuwe stelsel leidt tot ruimer contracteren door ouders, minder bewust gebruik van opvang en lagere aanwezigheid. In plaats van ouders daarop aan te spreken, kiest de overheid voor de mogelijkheid om kinderopvangorganisaties te korten via een aanwezigheidsnorm.
Het systeem beloont gemak bij ouders, maar straft de sector. En daarmee blijft de essentie overeind: Aanwezigheidsnorm: ouder bepaalt, opvang betaalt
-
Volledig mee eens 81%, 275 stemmen275 stemmen 81%275 stemmen - 81% van alle stemmen
-
Deels mee eens 9%, 31 stem31 stem 9%31 stem - 9% van alle stemmen
-
Volledig mee oneens 6%, 19 stemmen19 stemmen 6%19 stemmen - 6% van alle stemmen
-
Deels mee oneens 3%, 9 stemmen9 stemmen 3%9 stemmen - 3% van alle stemmen
-
Neutraal / Niet mee een/oneens 1%, 4 stemmen4 stemmen 1%4 stemmen - 1% van alle stemmen
-
Volledig mee eens 78%, 175 stemmen175 stemmen 78%175 stemmen - 78% van alle stemmen
-
Deels mee eens 10%, 22 stemmen22 stemmen 10%22 stemmen - 10% van alle stemmen
-
Volledig mee oneens 6%, 14 stemmen14 stemmen 6%14 stemmen - 6% van alle stemmen
-
Neutraal / Niet mee (on)eens 4%, 10 stemmen10 stemmen 4%10 stemmen - 4% van alle stemmen
-
Deels mee oneens 1%, 3 stemmen3 stemmen 1%3 stemmen - 1% van alle stemmen


