DAEB beloont de grootmacht, maar straft de kleintjes af
De discussie over het aanwijzen van kinderopvang als dienst van algemeen economisch belang (DAEB) klinkt sympathiek: toegankelijkheid, betaalbaarheid en stabiliteit worden beter geborgd, met extra publieke verantwoording. Zeker als financiën niet echt je vakgebied is. Maar achter dit voornemen gaat een mechanisme schuil dat met name de grote stichtingen bevoordeelt en de kleinere ondernemers (én kleine stichtingen) benadeelt en mogelijk de markt uitdrukt. De kinderopvang wordt omgevormd tot een eenheidsworst.
Rendement: meten met twee maten
Tot nu toe werd de sector beoordeeld op rendement op omzet. Volgens het Sectorrapport Kinderopvang 2023 lag dit gemiddeld op 3,2%. BV’s kwamen uit op 3,3%, stichtingen op 3,0%, en eenmanszaken/VOF’s zelfs op 3,8%.
Binnen DAEB wordt echter gerekend met rendement op eigen vermogen. Dat lijkt een technische verschuiving, maar is in werkelijkheid een aardverschuiving:
- Een kleine ondernemer met een klein eigen vermogen kan nog zo efficiënt draaien en winst maken, maar komt zelden aan de DAEB-norm.
- Grote stichtingen, die mede dankzij historische subsidies forse reserves hebben opgebouwd, voldoen makkelijker, zelfs als hun rendement op omzet bescheiden is.
Het gevolg is dat DAEB dreigt om vooral de grootmachten te belonen en de kleintjes af te straffen.
Financiële verschillen in perspectief
Buffers en solvabiliteit, gemiddeld over 2021 – 2023
- Stichtingen: 46,5%
- BV’s: 26,7%
- Eenmanszaken/VOF’s: 8,2%
➡️ Stichtingen zijn financieel veel rijker en stabieler gefinancierd dan ondernemers.
Winstgevendheid op omzet
- Gemiddelde sector: 3,2%
- BV’s: 3,8%
- Stichtingen: 3,0%
- Eenmanszaken/VOF’s: 2,2%
➡️ Kleine ondernemers draaien vaak zuiniger en winstgevender, stichtingen hebben lagere marges. Bij eensmanszaken zijn de prive-onttrekkingen meegeteld als personeelskosten.
Kostenstructuur en vastgoedbezit
- Personeelslasten: gemiddeld 73% van de omzet, het hoogst bij eenmanszaken/VOF’s (75,0%), stichtingen 74,1%, BV’s 71,3%.
- Huisvestingslasten: stichtingen 10,4%, BV’s 10,0%, eenmanszaken/VOF’s 7,8%.
Een cruciaal verschil:
- Stichtingen hebben vaak onroerend goed in bezit, dus gefinancierd uit opgebouwd kapitaal en dus deels afkomstig uit subsidies. Dat vastgoed kan ondergebracht zijn in aparte entiteiten, wat leidt tot extra management- en beheerskosten die worden doorbelast aan de exploitatie met hogere huisvestingslasten tot gevolg.
- Ondernemers bezitten nauwelijks vastgoed en zijn afhankelijk van huurcontracten. Dat maakt hen kwetsbaarder bij stijgende huren, maar houdt hun bedrijfsvoering efficiënter en minder log.
Financierbaarheid
- Slechts 7,5% van de organisaties voldeed in 2022 aan zowel de solvabiliteits- als rentabiliteitsnorm (20% resp. 10%).
- 76,3% haalde alleen de solvabiliteitsnorm, grotendeels dankzij de buffers van stichtingen.
Het speelveld is al ongelijk
Hoewel gemeenten formeel geen hoofdrol meer spelen, oefenen ze in de praktijk nog invloed uit via locatiebeleid, huurafspraken en historische subsidierelaties. Stichtingen zijn in het verleden soms zelfs door gemeenten overeind gehouden toen ze in zwaar weer verkeerden. Ondernemers hebben daarentegen hun positie opgebouwd met leningen, borgstellingen en persoonlijk risico. Deze hebben vaak ook minder de tijd om zich bezig te houden met allerlei commissies.
Met DAEB dreigt dit ongelijke speelveld geïnstitutionaliseerd te worden: wie groot en rijk is, krijgt een streepje voor.
Geen woekerwinsten, wel misvattingen
Het publieke debat over kinderopvang wordt vaak gevoed door de suggestie dat commerciële partijen of private equity ‘woekerwinsten’ zouden maken. Het SEO-rapport De markt voor kinderopvang (2023) ontkracht dit beeld:
- Er zijn geen aanwijzingen voor buitensporige winsten in de sector.
- Er is geen bewijs dat commerciële of private equity-partijen structureel grote bedragen onttrekken aan kinderopvangorganisaties.
De realiteit is dat de marges laag zijn, rendementen bescheiden, en dat de verschillen vooral te maken hebben met schaal, rechtsvorm en de vraag of men over grote vermogens en vastgoed beschikt.
De verkeerde prikkel
DAEB kan de sector de verkeerde kant op sturen:
- Ondernemers worden ontmoedigd, terwijl zij juist efficiënt en creatief met middelen omgaan.
- Stichtingen krijgen structureel voordeel, ook als hun bedrijfsvoering minder scherp is.
In plaats van toegankelijkheid en kwaliteit te versterken, dreigt DAEB innovatie en ondernemerschap te ondermijnen.
In de huidige vorm beloont DAEB de grootmachten en straft het de kleintjes af. Dat is geen recept voor een gezonde, eerlijke kinderopvangsector.
Artikel gaat na poll verder.
Noot: maatschappelijk ≠ altijd maatschappelijk
In discussies wordt “stichting” vaak automatisch gelijkgesteld aan “maatschappelijke kinderopvang” en worden BV’s en andere rechtsvormen gezien als “ondernemers”. Nu is er geen echte definitie wat maatschappelijk is. In de praktijk ligt dit genuanceerder:
- Sommige stichtingen rekenen uurtarieven ruim ver boven het KOT-niveau en belasten hun exploitatie extra met vastgoedconstructies.
- Ondernemers kunnen juist maatschappelijk handelen door hun uurtarieven te matigen, of door actief plekken toegankelijk te maken voor alle kinderen of andere initiatieven.
Het etiket “maatschappelijk” zegt dus minder over de daadwerkelijke maatschappelijke waarde dan over de juridische vorm. Zie ook : Bestaat er wel maatschappelijke kinderopvang?
Achtergrond: Hoe de houders in de kinderopvang zijn ontstaan (nl. 1980–2005)
Van lokale stichtingen naar snelle groei door ondernemers
- Voor 2005: lokaal, subsidie-gedreven
Tot begin deze eeuw was kinderopvang vooral lokaal georganiseerd via stichtingen (vaak “Stichting Kinderopvang [gemeente/plaats]”), gefinancierd uit gemeentelijke middelen en werkgeversbijdragen/regelingen. De Welzijnswet 1994 gaf het Rijk ruimte om via gemeenten uitbreiding te stimuleren met specifieke uitkeringen; doel: méér plaatsen creëren. (Officiële Bekendmakingen) - Gerichte stimulering eind jaren ’90
Naast toevoegingen aan het gemeentefonds kwam er een specifieke uitkering om gemeenten te prikkelen tot extra capaciteit—expliciet opgezet als groeiversneller voor nieuwe plaatsen. (Raad voor het Openbaar Bestuur) - Financiering en huisvesting mogelijk gemaakt
Het Waarborgfonds Kinderopvang (opgericht 1996) hielp investeringen en huisvesting financierbaar te maken (garanties, kennis). Dit verlaagde de drempel voor uitbreidingen en nieuwe toetreders. (Kinderopvangtotaal) - 2004–2005: versnelling richting nieuw stelsel
Direct vóór de Wet kinderopvang nam het aanbod al zichtbaar toe: eind 2004 +9% kindplaatsen dagopvang en +20% bso t.o.v. 2003. Dat wijst op een versnelling die samenviel met investeringen/subsidies en voorbereidingen op het nieuwe stelsel. (adoc.pub) - Keerpunt 2005: Wet kinderopvang (Wko)
Per 1 januari 2005 kreeg de sector een eigen wettelijk kader met kinderopvangtoeslag (via Belastingdienst/Toeslagen) en formele kwaliteitstoetsing. Ook werkgever(s)bijdragen werden in regelingen geborgd/geharmoniseerd. Dit maakte vraagfinanciering en snelle opschaling mogelijk. (Wetten.overheid.nl) - Effect: ondernemers stuwen groei en vernieuwing
De combinatie van locatiesubsidies/huisvestingsoplossingen, waarborgconstructies en toeslaggestuurde vraag trok veel ondernemers de markt in. Met (vaak) grote persoonlijke financiële risico’s (leningen/borgstellingen) zetten zij in korte tijd nieuwe locaties, schaal en vernieuwing neer, een omslag ten opzichte van het eerdere, vooral gemeentelijk-stichtingengedreven aanbod. (Algemene sectorhistoriek/overzichtsdossiers). (Berenschot) - Gebruik vóór de stelselwijziging
Rond 2004 maakte circa 26% van de 0–3-jarigen en 7% van de 4–12-jarigen gebruik van formele opvang (totaal 13% van 0–12 jaar). Dit onderstreept hoe sterk de vraag daarna nog zou stijgen onder het nieuwe stelsel. (Officiële Bekendmakingen)
Kortom: vóór 2005 domineerden lokale stichtingen met gemeentelijke subsidies; rond 2000–2005 versnelden subsidies/huisvesting + waarborging de uitrol; na invoering van de Wko (2005) zorgden ondernemers (met substantiële persoonlijke risico’s) voor de grote uitbreiding en vernieuwing van de sector.
De gegegevens in dit artikel zijn voor het laatst bijgewerkt en gecontroleerd op 1 november 2025