Internetconsultatie: Wijziging Besluit kinderopvangtoeslag 2027
Dit besluit beschrijft hoe de middelen in 2027 worden ingezet binnen het ingroeipad naar het nieuwe stelsel. Daarmee vormt 2027 de derde stap in dit traject; in 2025 en 2026 zijn de eerste stappen al gezet.
Daarnaast regelt het besluit de jaarlijkse indexering van de toetsingsinkomens en de maximum uurprijzen voor de kinderopvangtoeslag. Deze indexering zorgt ervoor dat de toeslag meebeweegt met de loon- en prijsontwikkelingen. De exacte indexatiepercentages worden vastgesteld nadat het Centraal Economisch Plan (CEP) van het CPB is gepubliceerd.
Er wordt geregeld dat de maximum uurprijzen en toetsingsinkomens voor kinderopvangtoeslag in 2027 worden geïndexeerd. Ook regelt het besluit de inzet van ingroeipadmiddelen voor het jaar 2027.
Deze internetconsultatie loopt tot en met 27 februari 2026
De voorgenomen tabel kinderopvangtoeslag 2027 tref je hier aan. Zie ook Stijging vergoedingspercentages kinderopvangtoeslag 2027
NOTA VAN TOELICHTING I ALGEMEEN DEEL
1. Inleiding
Met dit besluit worden de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag verhoogd voor alle huishoudens die nog geen recht hebben op het maximale vergoedingspercentage van 96% voor het eerste kind. In 2027 zijn dat huishoudens met een toetsingsinkomen boven circa € 56.000. Ook worden de maximum uurprijzen en de toetsingsinkomens van de kinderopvangtoeslag geïndexeerd.
Daarnaast is er een technische aanpassing van het besluit kinderopvangtoeslag. Op dit moment wordt het wetsvoorstel verbeteringen kinderopvangtoeslag voorbereid, dat promovendi recht moet geven op kinderopvangtoeslag. Met de wijziging van dit besluit kinderopvangtoeslag gelden voor de nieuwe doelgroep na het aannemen van het wetsvoorstel dezelfde regels over het aantal uren recht op kinderopvangtoeslag als voor andere doelgroepen in de kinderopvangtoeslag.
2. Wijzigingen kinderopvangtoeslag 2027
- Verhoging toeslagpercentages
De regering werkt aan de invoering van een nieuw financieringsstelsel voor kinderopvang. Dit nieuwe stelsel is eenvoudiger voor ouders, biedt ouders meer (financiële) zekerheid en maakt kinderopvang voor ouders met een midden en hoger inkomen beter betaalbaar.1 Dit is onder andere mogelijk door het inkomensonafhankelijk maken van de overheidsbijdrage voor kinderopvang. Alle werkende ouders hebben straks recht op hetzelfde hoge vergoedingspercentage. Dit voorkomt dat een onverwachte stijging van het inkomen leidt tot een terugvordering of een nabetaling.
Een plotselinge verhoging van de vergoedingspercentages bij invoering van de nieuwe financiering zou naar verwachting zorgen voor een grote marktschok. Bijvoorbeeld in de vorm van een plotselinge, sterke toename van de vraag naar opvang door de veel lagere kosten voor een grote groep ouders. Om dit te voorkomen is het nodig om stapsgewijs toe te werken naar de hogere vergoedingspercentages. Zo zal de vraag meer geleidelijk toenemen en heeft de kinderopvangsector (en daarmee de markt) meer tijd om zich aan te passen aan de (gevolgen van de) hogere overheidsbijdrage. Daarom is in het voorjaar van 2023 budget gereserveerd voor een ‘ingroeipad’: een geleidelijke verhoging van de vergoedingspercentages in de aanloop naar de stelselwijziging.
De regering heeft in 2025 de eerste stap gezet op dit ingroeipad.2 Dit betekende onder andere een hogere kinderopvangtoeslag voor alle werkende ouders met toetsingsinkomens tussen circa € 29.400 en circa € 159.200.3 Ook hebben alle werkende ouders met een inkomen tot en met € 47.403 recht gekregen op het maximale vergoedingspercentage van 96%. Daarmee werd in 2025 € 455 miljoen geïntensiveerd.
In 2027 is de regering voornemens de derde stap te zetten op het ingroeipad en de vergoedingspercentages verder te verhogen. Tijdens de voorjaarsbesluitvorming in 2026 neemt de regering hierover een besluit. Op dit moment is hiervoor een intensivering voorzien van circa € 700 miljoen6. Zoals nu is voorzien hebben alle werkende ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 56.413 in 2027 recht op een hoger vergoedingspercentage. Alle werkende ouders met een inkomen tot en met € 87.767 krijgen recht op het maximale vergoedingspercentage van 96% voor het eerste kind.
Deze verhoging bestaat uit drie onderdelen. Als eerste wordt de vaste voet (het vergoedingspercentage waar ouders ten minste recht op hebben, ongeacht hun inkomen) in de eerste kindtabel in 2027 verhoogd van 36,5% naar 42,9%. De vaste voet wordt daardoor met 6,4 procentpunt verhoogd.
Ten tweede nemen de vergoedingspercentages op het afbouwpad van de kinderopvangtoeslag toe. Ouders met een toetsingsinkomen tussen de circa € 56.000 en € 172.000 ontvangen een vergoedingspercentage dat 12,5 procentpunt hoger ligt dan in 2026. De vergoedingspercentages nemen daarmee sterker toe voor middeninkomen (+12,5 procentpunt) dan voor de hoogste inkomens (+6,4 procentpunt). Hiermee komt de regering tegemoet aan de motie Haage om middeninkomens prioriteit te geven bij de volgende wijzigingen van het Besluit kinderopvangtoeslag.7
Ten derde worden de vergoedingspercentages in de tweede kindtabel verhoogd met circa 3,6 procentpunt voor alle ouders die nog niet het maximale vergoedingspercentage van 96% ontvangen. Daarmee wordt het verschil tussen de vergoedingspercentages voor het eerste en het tweede en volgende kind weer kleiner.
De verhogingen van de vergoedingspercentages zijn verwerkt in de kinderopvangtoeslagtabel 2027 in bijlage I, behorende bij artikel 6 van het Besluit kinderopvangtoeslag. Onderstaande figuren geven de aanpassingen van de vergoedingspercentages visueel weer.


- Indexering maximum uurprijzen kinderopvangtoeslag
De in het Besluit kinderopvangtoeslag voorgeschreven reguliere indexatie is een gewogen gemiddelde van de ontwikkeling van de loonvoet bedrijven (80%) en de ontwikkeling van de consumentenprijsindex (20%) volgens het Centraal Economisch Plan (CEP) van het Centraal Planbureau. De indexering voor 2027 is gebaseerd op twee onderdelen. Ten eerste een correctie van de indexering in 2026 (PM%), doordat in het CEP 2026 de geraamde loonontwikkeling over 2026 is bijgesteld van 5,2% naar PM% en de geraamde prijsontwikkeling van 3,2% naar PM%. Ten tweede de loon- en prijsontwikkeling voor 2027 (PM%) op basis van het CEP 2026. Samen genomen leiden deze twee componenten ertoe dat de maximum uurprijzen worden geïndexeerd met PM%.
Tabel 1: Maximum uurprijs voor verschillende soorten opvang
| Maximum uurprijs | 2026 | 2027 |
| Dagopvang | 11,23 | PM |
| Buitenschoolse opvang | 9,98 | PM |
| Gastouderopvang | 8,49 | PM |
- Indexering toetsingsinkomens inkomensgroepen
De toetsingsinkomens van de inkomensgroepen worden jaarlijks met ingang van 1 januari geïndexeerd. Het indexeringspercentage voor de toetsingsinkomens is een gewogen gemiddelde van de procentuele ontwikkeling van de contractlonen in de marktsector, de premie gefinancierde sector en de gesubsidieerde sector, en bij de overheid, zoals geraamd voor 2027 in het CEP 2026. Het indexeringspercentage voor 2027 bedraagt op basis van de PM%. Dit is verwerkt in de kinderopvangtoeslagtabel 2027 in bijlage I, behorende bij artikel 6 van het Besluit kinderopvangtoeslag.
- Toevoeging recht op KOT voor promovendi
Het wetsvoorstel verbetering kinderopvangtoeslag8 voegt het recht op KOT toe voor ouders die een traject volgen gericht op promotie of anderszins werkzaamheden verrichten ten behoeve van onderzoek aan een instelling of academisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. In artikel 8a van het Besluit kinderopvangtoeslag worden regels gesteld over het aantal uren kinderopvang dat in aanmerking komt voor kinderopvangtoeslag.
Onderdeel C wijzigt artikel 8a, zodat deze regels ook van toepassing zijn op de nieuwe doelgroep. Het aantal uren kinderopvang dat per berekeningsjaar voor kinderopvangtoeslag in aanmerking komt, is dan gelijk aan 230 vermenigvuldigt met het aantal maanden waarin de ouder of partner in dat berekeningsjaar een traject volgt gericht op promotie of anderszins onderzoek verricht aan een instelling of academisch ziekenhuis als bedoeld in artikel I, onderdeel A, onder 2, van de wet van PM tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met de verbetering van enkele bepalingen op het terrein van kinderopvangtoeslag (Stb. PM).
3. Financiële consequenties
De eerste stap op het ingroeipad is in 2025 genomen. Hiermee ging een bedrag van € 455 miljoen gepaard. Deze € 455 miljoen betrof de extra lasten voor toeslagjaar 2025 en de bevoorschotting voor januari 2026, die in december 2025 wordt uitgekeerd.
Rekening houdend met een vertraagde gedragsreactie van ouders lopen de extra uitgaven vanwege deze verhoging voor 2025 de komende jaren nog verder op.9 De tweede stap op het leidde voor toeslagjaar 2026 tot € 199 miljoen aan extra uitgaven. In 2027 worden de vergoedingspercentages verder verhoogd. Deze intensivering betreft naar verwachting circa € 700 miljoen extra.
De indexering van de toetsingsinkomens met de gemiddelde contractloonmutatie (PM%) is naar verwachting budgettair neutraal omdat door de indexering de gemiddelde inkomensontwikkeling wordt verwerkt in de inkomensklassen. Dit betekent dat huishoudens gemiddeld genomen in dezelfde inkomensklasse blijven.
4. Inkomenseffecten
De verhoging van de vergoedingspercentages in dit besluit leidt ertoe dat kinderopvang naar verwachting goedkoper wordt voor ouders die nu nog niet recht hebben op het maximale vergoedingspercentage van 96% voor het eerste kind. Het gaat naar schatting om 528.000 van de 621.000 huishoudens die kinderopvangtoeslag ontvangen. Het is niet mogelijk om te zeggen wat de financiële gevolgen van dit besluit zullen zijn voor ieder huishouden. De exacte financiële gevolgen zijn namelijk niet alleen afhankelijk van het inkomen, maar ook van het aantal kinderen, het soort opvang, het aantal afgenomen uren en het tarief dat de kinderopvangorganisatie in 2027 in rekening brengt.
Om toch een beeld te bieden van de mogelijke financiële effecten voor verschillende huishoudens staan hieronder enkele rekenvoorbeelden. Deze rekenvoorbeelden zijn nadrukkelijk indicatief en kunnen niet gebruikt worden om af te leiden wat de werkelijke effecten van dit besluit zijn voor een individueel huishouden. Daarnaast is de precieze verhoging van de vergoedingspercentages en de verhoging van de maximum uurprijzen nog afhankelijk van de uitkomsten van de voorjaarsbesluitvorming.
Tabel 3: rekenvoorbeelden (op basis van verwachte ontwikkeling tarieven en MUP 2026 en 2027)
| Laag inkomen (had in 2024 al recht op 96%) | 2026 | 2027 |
| Kosten opvang per jaar: | € 26.386 | € 27.373 |
| KOT per jaar: | € 24.666 | € 25.589 |
| Eigen bijdrage per jaar: | € 1.720 | € 1.784 |
| Percentage eigen bijdrage: | 6,5% | 6,5% |
| Middeninkomen (1 x modaal) | 2026 | 2027 |
| Kosten opvang per jaar: | € 26.386 | € 27.373 |
| KOT per jaar: | € 24.666 | € 25.589 |
| Eigen bijdrage per jaar: | € 1.720 | € 1.784 |
| Percentage eigen bijdrage: | 6,5% | 6,5% |
| Middeninkomen (2 x modaal) | 2026 | 2027 |
| Kosten opvang per jaar: | € 26.386 | € 27.373 |
| KOT per jaar: | € 21.609 | € 24.563 |
| Eigen bijdrage per jaar: | € 4.777 | € 2.810 |
| Percentage eigen bijdrage: | 18,1% | 10,3% |
| Hoger inkomen (had in 2024 recht op 33,3%) | 2026 | 2027 |
| Kosten opvang per jaar: | € 26.386 | € 27.373 |
| KOT per jaar: | € 16.509 | € 19.272 |
| Eigen bijdrage per jaar: | € 9.878 | € 8.101 |
| Percentage eigen bijdrage: | 37,4% | 29,6% |
Bovenstaande rekenvoorbeelden zijn gebaseerd op een voorbeeldsituatie met twee kinderen die beiden twee dagen per week naar de dagopvang gaan voor een in januari 2026 verwacht mediaan tarief van € 11,53 in 2026 en € 11,96 in 2027. Het enige waar de voorbeelden in verschillen is de hoogte van het toetsingsinkomen. De in de tabellen genoemde bedragen zijn in lopende prijzen. Dat betekent dat de opvangkosten, de hoogte van de vergoeding voor de opvang en de hoogte van de eigen bijdrage een prijsontwikkeling bevatten die is gebaseerd op een aanname over de loon- en prijsontwikkeling. De tabellen tonen ook de eigen bijdrage als percentage van de totale opvangkosten. Dit percentage corrigeert automatisch voor deze loon- en prijsontwikkelingen. Voor een analyse van de verandering in de eigen bijdrage tussen twee jaren moet daarom gekeken worden naar deze percentages.
Deze rekenvoorbeelden laten zien dat de eigen bijdrage van de eerste twee voorbeeldhuishoudens (laag inkomen en modaal inkomen) in 2027 stabiel blijft op 6,5% van de totale kosten van kinderopvang. Deze huishoudens ontvangen in 2026 immers al het maximale vergoedingspercentage van 96%. Voor de voorbeeldhuishoudens met een dubbelmodaal inkomen daalt de eigen bijdrage met circa 7,8 procentpunt. Dat komt door de verhoging van de vergoedingspercentages in het kader van het ingroeipad, zoals vermeld staat in hoofdstuk 2 van deze toelichting. Ook voor het vierde rekenvoorbeeld, rechtsonder, neemt de eigen bijdrage met 7,8 procentpunt af. In dit vierde rekenvoorbeeld is, zoals inmiddels gebruikelijk is bij rekenvoorbeelden voor de betaalbaarheid van kinderopvang, gerekend met een toetsingsinkomen van € 146.000 in 2025. Voor huishoudens met inkomens boven ongeveer € 163.000 is de afname van de eigen bijdrage echter kleiner dan 7,8 procentpunt, namelijk 4,8 procentpunt. Dit komt omdat de regering ervoor heeft gekozen de vergoedingspercentages sterker te verhogen voor middeninkomens dan voor de hoogste inkomens, in lijn met de motie Haage om middeninkomens prioriteit te geven bij de volgende wijzigingen van het Besluit kinderopvangtoeslag.10
5. Uitgebrachte adviezen
PM uitvoeringstoets Dienst Toeslagen
6. Gevolgen regeldruk
Deze wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag heeft geen gevolgen voor de regeldruk van bedrijven, burgers en uitvoerende professionals. Zowel de aanpassing van de maximum uurprijzen en de toetsingsinkomens, als de ophoging van de vergoedingspercentages hebben geen effect op de regeldruk van ouders. Er is immers geen sprake van een aanpassing in het aanvraagproces.
PM advies ATR
7. Uitkomsten internetconsultatie
PM uitkomsten internetconsultatie
8. Resultaten voorhangprocedure
PM uitkomsten voorhangprocedure
9. Inwerkingtreding
Dit besluit wordt uiterlijk op 15 oktober 2026 gepubliceerd en treedt in werking met ingang van 1 januari 2027, zijnde de aanvang van een nieuw berekeningsjaar. Daarmee is voldaan aan het kabinetsbeleid over vaste verandermomenten en een minimuminvoeringstermijn voor regelgeving, zoals neergelegd in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Op grond van dat beleid treedt een algemene maatregel van bestuur op 1 januari of 1 juli in werking en vindt publicatie plaats uiterlijk twee maanden voor inwerkingtreding.
II. ARTIKELSGEWIJS DEEL
Artikel I, onderdelen A (artikel 4)
Artikel 4, eerste lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag bevat de maximum uurprijzen voor de dagopvang, de buitenschoolse opvang en de gastouderopvang. Op grond van artikel 5 van het Besluit kinderopvangtoeslag worden jaarlijks de maximum uurprijzen van de kinderopvangtoeslag geïndexeerd. De indexatie is een gewogen gemiddelde van de ontwikkeling van de loonvoet bedrijven (80%) en de ontwikkeling van de consumentenprijsindex (20%). Artikel I, onderdeel A, stelt de geïndexeerde maximum uurprijzen voor 2027 vast.
Artikel I, onderdeel B (artikel 8)
In artikel 8, derde lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag is vastgelegd vanaf welk toetsingsinkomen de ouder voor de kosten van kinderopvang van het eerste kind een kinderopvangtoeslag ontvangt ter hoogte van 42,9 procent van die kosten. Dit percentage (de vaste voet) wordt met ingang van 2027 verhoogd van 36,5 procent naar 42,9 procent. De inkomensgrens wordt met ingang van 2027 veranderd in € 187.802.
Ouders met een toetsingsinkomen van € 187.802 en hoger krijgen een tegemoetkoming ter hoogte van de vaste voet (42,9 procent).
Artikel 1.8, eerste lid, van de Wet kinderopvang, zou zo gelezen kunnen worden dat altijd ten minste één inkomensgroep recht moet hebben op een vergoedingspercentage van niet meer dan 33,3%, de zogenaamde vaste voet. Dit artikellid staat in de wet sinds 2013, toen het is gewijzigd met het amendement-Van Hijum c.s.11. De formulering van de wettekst komt niet overeen met de toelichting op het amendement. Uit de wetsgeschiedenis en parlementaire behandeling van dit amendement blijkt dat de indieners hiermee een motiveringsplicht beoogden.12 Deze motiveringsplicht zag op de situatie waarin besloten zou worden dat een of meerdere inkomensgroepen recht zou krijgen op een KOT-vergoedingspercentage van minder dan 33,3%, zoals in 2013 het geval was. De regering meent daarom dat het verhogen van de vaste voet met dit besluit niet in strijd is met artikel 1.8, eerste lid, van de Wet kinderopvang. De motivatieplicht die de indieners van het amendement in 2013 beoogden, wordt al uitgevoerd. Sinds 2013 vermeldt het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid standaard in haar begroting welke percentages van de kosten voor kinderopvang (op macroniveau) gedragen worden door werkgevers, ouders en overheid. Daarnaast bepaalt artikel 8, tweede lid, van het Besluit KOT dat in bijlage I van het Besluit KOT wordt vermeld welk toeslagpercentage elke inkomensgroep ontvangt.
Inmiddels is ook een wetsvoorstel in de maak dat deze bepaling wijzigt en de onduidelijkheid wegneemt. Dit wetsvoorstel is op 5 december 2025 aangeboden aan de Afdeling Advisering van de Raad van State.13
Artikel I, onderdeel D (Bijlage I)
Met dit onderdeel wordt bijlage I behorende bij het Besluit kinderopvangtoeslag vervangen door de bijlage behorende bij dit besluit. Voor de berekening van kinderopvangtoeslag is in deze bijlage de verdeling van de toetsingsinkomens in inkomensgroepen geregeld.
Deze nota van toelichting wordt ondertekend mede namens de Staatssecretaris van Financiën – Herstel en Toeslagen.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.N.J. Nobel
1 Kamerstukken II 2024/25, nr. 31 322, nr. 547.
2 Stb. 2024, 273
3 Prijspeil 2025
4 Prijspeil 2026
5 In prijspeil 2024
6 In prijspeil 2025
7 Kamerstukken II 2025/26, 31 322, nr. 566.
8 https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK027111
9 In het hypothetische geval dat de vergoedingspercentages niet verder zouden worden verhoogd, op basis van het actueel gebruik van kinderopvang de economische ontwikkelingen in het Centraal Economisch Plan 2025
10 Kamerstukken II 2025/26, 31 322, nr. 566.
11 Kamerstukken II 2011/12, 33212, nr. 9.
12 Kamerstukken II 2011/12, 33212, nr. 91, item 14.
13 Documenten bij Wijziging van enkele bepalingen van de Wet kinderopvang op het terrein van kinderopvangtoeslag | Overheid.nl | Wetgevingskalender.
De gegegevens in dit artikel zijn voor het laatst bijgewerkt en gecontroleerd op 25 april 2026