In het tweede kwartaal van 2025 maakten gemiddeld 930.000 kinderen gebruik van kinderopvang met toeslag, een stijging van 12.000 kinderen (+1,3%) ten opzichte van een jaar eerder en 8.000 kinderen (+0,9%) meer dan in het eerste kwartaal. Van deze groep gingen 391.000 kinderen naar de dagopvang, 483.000 naar de BSO en 72.000 naar de gastouderopvang, waarbij vooral de gastouderopvang een duidelijke daling laat zien ten opzichte van 2024 (-8.000 kinderen, -10%). Het gemiddeld aantal opvanguren per maand bleef stabiel ten opzichte van het vorige kwartaal, maar lag iets lager dan een jaar eerder. Opvallend is dat binnen de afzonderlijke opvangsoorten het gebruik juist licht steeg: kinderen gingen iets langer naar de dagopvang (+0,3 uur), de gastouderopvang voor 0-3 jaar (+0,1 uur) en de BSO (+0,5 uur). De lichte totale daling in gemiddelde uren komt vooral doordat er relatief minder BSO-uren werden afgenomen, ondanks de groei binnen de andere groepen.
Dit blijkt uit het 2e kwartaal rapportage kinderopvang van de Rijksoverheid.
1. Gebruik kinderopvangtoeslag
Aantal kinderen naar kinderopvang
In het tweede kwartaal van 2025 gingen gemiddeld 930.000 kinderen met kinderopvangtoeslag naar de kinderopvang. Ten opzichte van het tweede kwartaal van 2024 is dit een stijging van 12.000 kinderen (+1,3%). Uitgesplitst per opvangvorm gingen er 391.000 kinderen naar de kinderdagopvang, 483.000 kinderen naar de buitenschoolse opvang (BSO) en 72.000 kinderen naar de gastouderopvang. Ook ten opzichte van het eerste kwartaal van 2025 nam het totale gebruik van kinderopvang met kinderopvangtoeslag toe in het tweede kwartaal, deze toename bedraagt 8.000 kinderen (+0,9%). Het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag dat naar de gastouderopvang gaat nam af. Vergeleken met het tweede kwartaal van 2024 bedroeg deze daling 8.000 kinderen (-10,0%) en vergeleken met het eerste kwartaal van 2025 1.000 kinderen (-1,2%).
Gebruik in uren
Het gemiddelde gebruik in uren per kind per maand is stabiel ten opzichte van het eerste kwartaal van 2025, maar licht afgenomen ten opzichte van het tweede kwartaal van 2024. Ondanks deze afname is het gemiddelde gebruik voor de afzonderlijke vormen van kinderopvang gestegen.
Kinderen gaan langer naar de dagopvang (+0,3 uur per maand) en iets meer naar de gastouderopvang 0- t/m 3-jarigen (+0,1 uur per maand). Het gebruik van de BSO is ten opzichte van het tweede kwartaal van 2024 licht gestegen (+0,5 uur per maand). Dat het gemiddeld aantal uren kinderopvang in totaal iets afneemt, terwijl alle losse groepen stijgen, is te verklaren door een relatieve verschuiving in afname tussen dagopvang en buitenschoolse opvang. Bij buitenschoolse opvang worden minder uren afgenomen.
| Tabel 1. Gemiddelde aantallen met kinderopvangtoeslag | ||||||||
| 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2024 Kw. 2 | 2025 Kw. 1 | 2025 Kw. 2 | |
| Aantal kinderen (x 1.000) | ||||||||
| Totaal | 824 | 826 | 873 | 892 | 910 | 918 | 922 | 930 |
| Kinderdagcentra | 344 | 354 | 374 | 382 | 388 | 391 | 392 | 391 |
| Buitenschoolse opvang | 399 | 396 | 428 | 444 | 462 | 465 | 474 | 483 |
| Gastouderopvang 0- t/m 3-jarigen | 60 | 58 | 57 | 55 | 51 | 52 | 48 | 47 |
| Gastouderopvang 4- t/m 11-jarigen | 42 | 38 | 34 | 30 | 27 | 28 | 25 | 25 |
| Uren per kind per maand | ||||||||
| Totaal | 61,1 | 63,8 | 65,2 | 66,4 | 66,3 | 66 | 65,9 | 65,9 |
| Kinderdagcentra | 84,8 | 88,0 | 90,1 | 91,6 | 91,7 | 91,4 | 91,4 | 91,7 |
| Buitenschoolse opvang | 39,2 | 40,7 | 41,9 | 43,0 | 43,3 | 42,9 | 43,1 | 43,4 |
| Gastouderopvang 0- t/m 3-jarigen | 66,5 | 67,9 | 68,7 | 71,5 | 72,4 | 72,2 | 72,2 | 72,3 |
| Gastouderopvang 4- t/m 11-jarigen | 37,1 | 37,7 | 37,7 | 39,6 | 40,3 | 40,0 | 39,8 | 40,0 |
Bron: Dienst Toeslagen, cijferbeeld juli 2025, bewerking Ministerie van SZW
Gebruik naar inkomensgroep
Om meer zicht te krijgen op de ontwikkeling van het gebruik van kinderopvang onder verschillende inkomensgroepen, monitort SZW vanaf deze kwartaalrapportage jaarlijks het aantal huishoudens met kinderopvangtoeslag onder verschillende inkomensgroepen. Een toename of afname van het gebruik onder een inkomensgroep kan erop wijzen dat het percentage huishoudens in deze inkomensgroep dat kinderopvang afneemt is gestegen of gedaald, er meer of minder ouders werken, en/of dat er meer of minder huishoudens in deze inkomensgroep zitten. Cijfers dienen daarom voorzichtig geïnterpreteerd te worden. Het aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvang is lager dan het aantal kinderen dat naar de opvang gaat, omdat er in één
huishouden meerdere kinderen met kinderopvangtoeslag naar de kinderopvang kunnen gaan. Onderstaande tabel geeft dit weer.
Het aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvang is in 2024 gestegen ten opzichte van 2023 (+12.800). Deze stijging is terug te zien in een stijging van alle inkomensgroepen behalve de inkomens modaal tot 2x modaal.
| Tabel 2. Aantal huishoudens met kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen1 | |||||
| 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | |
| Aantal huishoudens (x 1.000) | |||||
| Totaal | 549,8 | 551,8 | 583,0 | 600,0 | 612,8 |
| Tot 100% Wml | 37,8 | 35,9 | 33,9 | 37,7 | 38,5 |
| 100% Wml tot modaal | 42,6 | 43,2 | 42,7 | 39,0 | 39,1 |
| Modaal tot 2 x modaal | 224,1 | 223,4 | 225,1 | 225,9 | 224,2 |
| 2 x modaal tot 3 x modaal | 152,4 | 153,7 | 172,4 | 181,2 | 189,6 |
| 3 x modaal en hoger | 92,9 | 95,6 | 108,9 | 116,1 | 121,4 |
Bron: Dienst Toeslagen, cijferbeeld juli 2025, bewerking Ministerie van SZW
2. Netto arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen
De netto arbeidsparticipatie van vrouwen en mannen is weergegeven in tabel 3 (vrouwen) en tabel 4 (mannen). De netto arbeidsparticipatie van alle vrouwen tussen de 15 en 75 jaar bedroeg in het tweede kwartaal van 2025 69,4%. In dezelfde leeftijdscategorie bedroeg de netto arbeidsparticipatie onder mannen 77,2%.2
| Tabel 3. Netto arbeidsparticipatie vrouwen en moeders met jonge kinderen (in %) | ||||||||
| 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | Kw. 2 2024 | Kw.1 2025 | Kw.2 2025 | |
| Vrouwen 15-74 jaar | 64,2 | 66,5 | 68,1 | 68,9 | 69,2 | 69,4 | 68,9 | 69,4 |
| Vrouwen 25-34 jaar | 83,6 | 84,2 | 84,9 | 84,4 | 84,9 | 85,3 | 84 | 84,9 |
| Vrouwen 35-44 jaar | 80,4 | 79,9 | 82,3 | 83,5 | 82,4 | 82,2 | 82,5 | 82,7 |
| Moeders (lid van ouderpaar) | 80,5 | 81,4 | 82,6 | 82,8 | 83,1 | 83,1 | 82,9 | 82,6 |
| Alleenstaande moeders | 68,5 | 71,5 | 70,5 | 73,6 | 71,8 | 73,2 | 71,5 | 71,7 |
| Moeders met jongste kind 0-11 jaar | 80,1 | 79,7 | 81,5 | 81,8 | 81,9 | 81,4 | 82,1 | 82,1 |
Bron: CBS
1 De aantallen huishoudens per inkomensgroep zijn gebaseerd op de gegevens die bij Dienst Toeslagen bekend zijn en kunnen nog wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van het inkomen. Voor 2024 en 2023 is respectievelijk circa 57% en 96% van de beschikkingen definitief vastgesteld. Voor 2022 en eerdere jaren zijn vrijwel alle beschikkingen en onderliggende gegevens definitief.
Het Ministerie van SZW beschikt niet over gegevens over het aantal huishoudens per inkomensgroep dat aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag. Bij de ontwikkeling van het gebruik van kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen kunnen ook andere factoren zoals de daadwerkelijke loonontwikkeling en het aantal gewerkte uren een rol spelen.
2 Bron CBS: de niet-seizoensgecorrigeerde netto arbeidsparticipatie.
De arbeidsparticipatie van vrouwen tussen de 15 en 74 jaar is, in vergelijking met hetzelfde kwartaal in 2024, hetzelfde gebleven. Tussen de verschillende groepen is sprake van een wisselend beeld. De arbeidsparticipatie steeg onder vrouwen 35-44 jaar (+ 0,5%) en moeders met jongste kind 0–11 jaar (+ 0,7%). De arbeidsparticipatie daalde onder moeders die lid zijn van een ouderpaar (- 0,5%), vrouwen 25-34 jaar (- 0,4%) en alleenstaande moeders (-1,5%).
| Tabel 4. Netto arbeidsparticipatie mannen en vaders met jonge kinderen (in %)[1] | ||||||||
| 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | Kw. 2 2024 | Kw.1 2025 | Kw.2 2025 | |
| Mannen 15-74 jaar | 72,5 | 74,3 | 76,3 | 77,2 | 77,2 | 77,4 | 76,8 | 77,2 |
| Mannen 25-34 jaar | 88,2 | 89,9 | 89,9 | 90,2 | 90,2 | 90,3 | 90,4 | 90,9 |
| Mannen 35-44 jaar | 89,6 | 91,4 | 91,9 | 91,8 | 91,8 | 91,9 | 90,9 | 91,1 |
| Vaders (lid van ouderpaar) | 91,7 | 91,8 | 92,6 | 93,3 | 93,3 | 92 | 92 | 92,6 |
| Alleenstaande vaders | 79,8 | 83,5 | 84,4 | 83,5 | 84,5 | 86,5 | 84,7 | 83,3 |
| Vaders met jongste kind 0-11 jaar | 93,9 | 94,4 | 94,3 | 95 | 95 | 94,9 | 94,8 | 94,9 |
Bron: CBS
De netto arbeidsparticipatie van mannen tussen de 15 en 74 jaar is, in vergelijking met het tweede kwartaal van 2024, gedaald met 0,2%. De arbeidsparticipatie daalde in dezelfde periode ook onder mannen 35-44 jaar (- 0,8%) en alleenstaande vaders (- 3,2%). De arbeidsparticipatie nam toe onder mannen 25-34 jaar en vaders (lid van een ouderpaar) (beide + 0,6%).
Tabel 5 toont het aantal gewerkte uren per week van vrouwen, mannen en ouders met jonge kinderen. In het tweede kwartaal van 2025 werkten vrouwen gemiddeld 27,8 uur per week en mannen 35,8. Moeders met jonge kinderen werkten gemiddeld 28,5 uur per week, iets hoger dan het gemiddeld aantal gewerkte uren van alle vrouwen. Het aantal gewerkte uren onder moeders met jonge kinderen steeg licht, zowel ten opzichte van het vorige kwartaal (+0,4 uur per week) als ten opzichte van het tweede kwartaal in 2024 (+0,1 uur per week). Vaders met jonge kinderen werkten in het tweede kwartaal gemiddeld 39,3 uur per week, wat gelijk is aan het eerste kwartaal van dit jaar en een lichte daling ten opzichte van het tweede kwartaal van vorig jaar (-0,7 uur).
| Tabel 5. Ontwikkeling in gewerkte uren per week van vrouwen en mannen en ouders met jonge kinderen (gemiddelde binnen de groep met een baan van meer dan 1 uur, jaarcijfers) | ||||||||
| 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | Kw. 2 2024 | Kw.1 2025 | Kw.2 2025 | |
| Vrouwen 15-74 jaar | 26,2 | 27,4 | 27,9 | 27,9 | 27,9 | 27,8 | 27,7 | 27,8 |
| Moeders met jongste kind 0-11 jaar | 26,9 | 27,5 | 28,1 | 28,2 | 28,1 | 28,4 | 28,1 | 28,5 |
| Mannen 15-74 jaar | 36,3 | 36,1 | 36 | 35,9 | 35,9 | 35,7 | 35,8 | |
| Vaders met jongste kind 0-11 jaar | 40,4 | 40,1 | 40 | 39,8 | 40 | 39,3 | 39,3 | |
Bron: CBS
3. De ontwikkeling van de gemiddelde uurprijs
Voor de monitoring van tarieven maakt SZW gebruik van de uurtarieven die kinderopvangorganisaties aanleveren bij Dienst Toeslagen. De organisaties en gastouderbureaus zijn sinds 2022 wettelijk verplicht om maandelijks gegevens te leveren aan Dienst Toeslagen.
Dienst Toeslagen verstrekt op verzoek van SZW geanonimiseerde en geaggregeerde overzichten van deze data, zodat SZW in de kwartaalrapportages de tarieven nauwkeurig kan monitoren.3
Tabel 6 laat de gemiddelde tarieven op basis van de gegevenslevering van kinderopvangorganisaties en gastouderbureaus zien. De tabel laat ook het verschil zien tussen de gemiddelde tarieven van de verschillende opvangsoorten en de maximum uurprijs. De gemiddelde tarieven voor alle kinderopvangvormen zijn nagenoeg gelijk gebleven ten opzichte van het eerste kwartaal van 2025. In het tweede kwartaal van 2025 bedroegen de gemiddelde tarieven € 11,17 voor de kinderdagopvang, € 10,14 voor de buitenschoolse opvang, € 8,25 voor gastouderopvang voor 0- t/m 3-jarigen en € 8,22 voor gastouderopvang voor 4- t/m 12-jarigen. Ook de maximum uurprijzen bleven gelijk, waardoor het verschil tussen het gemiddelde tarief en de maximum uurprijs gelijk blijft. Per saldo is de betaalbaarheid in de kinderopvang gelijk gebleven.
| Tabel 6. Ontwikkeling gemiddelde uurprijs (in €) op basis van gegevenslevering instellingen | ||||
| 2023 | 2024 | Kw. 1 2025 | Kw. 2 2025 | |
| Gemiddelde uurprijzen voor maximering | ||||
| Dagopvang | 9,71 | 10,56 | 11,17 | 11,17 |
| Buitenschoolse opvang | 8,72 | 9,54 | 10,14 | 10,14 |
| 0- t/m 3-jarigen gastouderopvang | 7,15 | 7,66 | 8,24 | 8,25 |
| 4- tot 12-jarigen gastouderopvang | 7,17 | 7,69 | 8,23 | 8,22 |
| Maximum uurprijzen | ||||
| Dagopvang | 9,12 | 10,25 | 10,71 | 10,71 |
| Buitenschoolse opvang | 7,85 | 9,12 | 9,52 | 9,52 |
| 0- t/m 3-jarigen gastouderopvang | 6,85 | 7,53 | 8,10 | 8,10 |
| 4- tot 12-jarigen gastouderopvang | 6,85 | 7,53 | 8,10 | 8,10 |
| Relatief verschil gemiddelde t.o.v. maximum uurprijzen | ||||
| Dagopvang | 6,5% | 3,0% | 4,3% | 4,3% |
| Buitenschoolse opvang | 11,1% | 4,6% | 6,5% | 6,5% |
| 0- t/m 3-jarigen gastouderopvang | 4,3% | 1,7% | 1,7% | 1,8% |
| 4- tot 12-jarigen gastouderopvang | 4,7% | 2,2% | 1,5% | 1,5% |
Bron: Dienst Toeslagen, cijferbeeld 15 augustus 2025, bewerking Ministerie van SZW
4. Aanbod kinderopvang
Tot slot geeft tabel 7 het aantal locaties weer dat kinderopvang aanbiedt. Het aantal locaties van dagopvang is in het tweede kwartaal van 2025 met 33 locaties gestegen ten opzichte van het vorige kwartaal (+ 0,4%). Begin juli 2025 waren er 9.353 dagopvanglocaties. Ook de hoeveelheid locaties van buitenschoolse opvang is toegenomen. In het tweede kwartaal waren er 49 locaties meer dan in het vorige kwartaal (+ 0,6%). Hiermee komt het aantal buitenschoolse opvanglocaties
3 De interpretatie van de gegevens die kinderopvangorganisaties aanleveren kent wel een aandachtspunt. Dienst Toeslagen gebruikt deze gegevens om hoge terugvorderingen bij ouders te voorkomen. Dit doet zij door het urengebruik dat ouders doorgeven en de gegevens die zij van kinderopvangorganisaties doorkrijgt met elkaar te vergelijken. Indien Dienst Toeslagen een verschil constateert, attendeert zij ouders hierover, zodat zij het gebruik kunnen aanpassen. De Dienst heeft daarmee niet als doel om de tarieven in de kinderopvang te monitoren. Zij controleert de gegevens dan ook niet met oog op een juiste representatie van de markt.
in het tweede kwartaal op 8.236. Zowel in de dagopvang als in de buitenschoolse opvang zet de stijgende trend wat betreft het aantal locaties door. De hoeveelheid gastouderopvanglocaties blijft daarentegen dalen. Begin juli waren er 14.643 locaties, een daling van 265 locaties (- 1,8%) ten opzichte van een kwartaal eerder.
| Tabel 7: aantal kinderopvang- en gastouderlocaties | ||||||||
| Jan. 2020 | Jan. 2021 | Jan. 2022 | Jan. 2023 | Jan. 2024 | Jan. 2025 | Apr. 2025 | Jul. 2025 | |
| Dagopvang | 9.029 | 9.066 | 9.139 | 9.183 | 9.238 | 9.331 | 9.320 | 9.353 |
| BSO | 7.384 | 7.569 | 7.655 | 7.815 | 7.965 | 8.181 | 8.187 | 8.236 |
| Gastouders | 25.237 | 22.675 | 20.578 | 18.459 | 16.723 | 15.086 | 14.908 | 14.643 |
Bron: DUO rapportage Landelijk Register Kinderopvang. De peildatum is de eerste maandag van de maand.


