Waarom starten nieuwe BSO-locaties opvallend vaak met precies 30 kindplaatsen?
Sinds de wijziging van de regelgeving voor buitenschoolse opvang (BSO) op 1 juli 2024 is een opvallende ontwikkeling zichtbaar in de registratie van nieuwe locaties. Met de aanpassing van het Besluit kwaliteit kinderopvang (BKR) werd het mogelijk om de beroepskracht-kindratio op locatieniveau te berekenen. Tegelijkertijd werd de maximale omvang van een stamgroep verhoogd naar 30 kinderen.
De bedoeling van deze wijziging was duidelijk: meer flexibiliteit voor organisaties en een betere aansluiting bij de praktijk van de buitenschoolse opvang. In de praktijk bewegen kinderen zich immers vaak vrij over verschillende ruimtes en activiteiten. De klassieke stamgroepstructuur sluit daar niet altijd goed op aan.
Toch laat de registratie van nieuwe locaties een opvallend patroon zien. Veel nieuwe BSO-locaties worden ingeschreven met precies 30 kindplaatsen. Het aantal locaties dat met deze capaciteit start lijkt zelfs ongeveer te zijn verdubbeld ten opzichte van de periode vóór de wijziging.
De vraag is waarom organisaties zich zo vaak beperken tot precies 30 kindplaatsen.
Meer flexibiliteit door BKR op locatieniveau
De invoering van de beroepskracht-kindratio op locatieniveau was bedoeld om organisaties meer ruimte te geven in de organisatie van de opvang. In de praktijk bewegen kinderen zich vaak door de locatie: ze spelen buiten, doen activiteiten in verschillende ruimtes of werken in kleinere groepjes.
De klassieke indeling in vaste groepen is daardoor vaak vooral administratief. De aanpassing van de regelgeving moest beter aansluiten bij deze praktijk.
Door de BKR op locatieniveau te berekenen zou het eenvoudiger worden om personeel flexibel in te zetten en om de capaciteit van een locatie beter te benutten.
De praktijk: veel nieuwe locaties met 30 kindplaatsen
In plaats van een duidelijke groei van grotere locaties lijkt een ander patroon te ontstaan. Veel nieuwe BSO-locaties worden geregistreerd met precies 30 kindplaatsen. Dat is precies het nieuwe maximum voor een stamgroep. Hierdoor kan een locatie administratief met één stamgroep werken.
Voorheen lag de maximale groepsgrootte meestal rond de 20 tot 22 kinderen. Zodra een locatie meer kinderen wilde opvangen, moest vrijwel altijd een tweede groep worden geregistreerd.
Door de nieuwe grens van 30 kinderen kan een organisatie dus langer met één groep werken. Dat kan administratief aantrekkelijk zijn.
Een mogelijke hypothese: flexibiliteit wordt zelf weer begrensd
De organisaties beperken feitelijk zelf de nieuwe flexibiliteit, waarschijnlijk onbewust..
De regelgeving biedt meer ruimte om de opvang op locatieniveau te organiseren. In theorie zouden locaties dus ook met grotere aantallen kinderen kunnen werken, zolang de beroepskracht-kindratio op locatieniveau klopt. Toch lijkt in de praktijk vaak gekozen te worden voor een capaciteit van precies 30 kindplaatsen. Daarmee wordt de opvang weer georganiseerd rondom één maximale stamgroep.
De flexibiliteit die met de regelgeving werd gecreëerd, wordt daarmee mogelijk opnieuw ingeperkt door administratieve keuzes van organisaties.
Administratieve eenvoud als mogelijke verklaring
Een belangrijke reden kan administratieve eenvoud zijn. Wanneer een locatie precies 30 kindplaatsen heeft, kan vaak met één stamgroep worden gewerkt. Dat maakt registratie, planning en toezicht overzichtelijker. Zodra het aantal kindplaatsen hoger wordt, ontstaat vaak de noodzaak om meerdere groepen te registreren of een complexere administratie te voeren.
Voor organisaties kan het daarom aantrekkelijk zijn om precies op de grens van 30 kinderen te blijven.
Historische groepsstructuren spelen mogelijk nog mee
Daarnaast kan ook de historische groepsstructuur nog invloed hebben. De kinderopvang heeft jarenlang gewerkt met relatief kleine groepen. Veel organisaties zijn gewend om locaties te organiseren rondom vaste groepen. Hoewel de regelgeving nu meer flexibiliteit biedt, kan het zijn dat organisaties nog steeds denken vanuit het traditionele groepsmodel.
De nieuwe mogelijkheden worden dan wel gebruikt, maar slechts tot de grens van één maximale groep.
Onbenutte capaciteit?
De keuze voor precies 30 kindplaatsen kan ook betekenen dat de feitelijke capaciteit van een locatie niet volledig wordt benut. Wanneer bijvoorbeeld meerdere pedagogisch professionals aanwezig zijn, kan de locatie mogelijk meer kinderen opvangen dan administratief is geregistreerd.
Door zich te beperken tot 30 kindplaatsen blijft een deel van die mogelijke capaciteit onbenut.
In een sector waar regelmatig sprake is van wachtlijsten en personeelstekorten kan dat een interessante vraag oproepen.
Stamgroepen mogelijk verder ter discussie
De discussie over stamgroepen is overigens nog niet afgerond. De overheid onderzoekt inmiddels of het principe van vaste groepen verder kan worden losgelaten.
Wanneer regelgeving nog meer uitgaat van de locatie als geheel in plaats van de stamgroep, kan dat ook gevolgen hebben voor de manier waarop locaties hun capaciteit registreren.
Een vraag voor de sector
De ontwikkeling roept daarom een interessante vraag op voor de kinderopvangsector.
Wordt de flexibiliteit van de nieuwe regelgeving daadwerkelijk benut? Wordt er wel rekening gehouden met de daadwerkelijke bezetting, zowel van de medewerkers als de kinderen? Of beperken organisaties zichzelf in de praktijk nog steeds tot structuren die vooral administratief logisch zijn? De komende jaren zal duidelijk worden of de sector de nieuwe mogelijkheden verder gaat gebruiken, of dat het getal van 30 kindplaatsen voorlopig een nieuwe standaard blijft.